ECLI:NL:GHARL:2022:1397

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2022
Publicatiedatum
23 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.298.848/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie kentekenhouder bij parkeerovertreding zonder vaststelling bestuurder

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor parkeren in strijd met een parkeerverbod op 3 november 2019 in Groningen. De betrokkene stelde dat de ambtenaar de bestuurder had kunnen identificeren, omdat deze meerdere personen sprak en de bestuurder zich had gemeld.

De ambtenaar verklaarde echter dat hij niet kon vaststellen wie de bestuurder van het voertuig was, ondanks gesprekken met meerdere personen ter plaatse. Foto's en proces-verbaal bevestigen dat het voertuig geparkeerd stond in een parkeerverbodszone zonder dat duidelijk was wie de bestuurder was.

Volgens artikel 5 Wahv Pro moet de ambtenaar de bestuurder staande houden en diens identiteit vaststellen, tenzij dit niet mogelijk is. Het hof oordeelde dat in dit geval geen sprake was van aanstonds vaststellen van de bestuurder, zodat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd.

Het beroep van de betrokkene werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: De sanctie voor fout parkeren is terecht aan de kentekenhouder opgelegd omdat de bestuurder niet kon worden vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.298.848/01
CJIB-nummer
: 230004992
Uitspraak d.d.
: 23 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 november 2019 om 11.06 uur op de Leonard Springerlaan in Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond omdat de bestuurder de verbalisant heeft aangesproken in verband met de opgelegde sanctie en de verbalisant hem heeft aangegeven maar bezwaar te moeten maken. Nu ook uit de verklaring van de verbalisant in het aanvullend proces-verbaal blijkt dat hij meerdere mensen gesproken heeft, had de verbalisant kunnen informeren welk voertuig bij welke bestuurder hoorde en de sanctie kunnen opleggen aan de bestuurder in plaats van de kentekenhouder.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ten minste 10 minuten geparkeerd zonder dat er sprake was van laden en lossen. (…) Het voertuig stond niet op een als zodanig aangegeven parkeerplaats cq parkeervak.”
5. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een proces-verbaal van aanvulling van 7 maart 2020 van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Hieruit blijkt dat de ambtenaar op voormelde datum, tijd en plaats bovengenoemd voertuig geparkeerd zag staan in een gebied waar de bebording E1 van bijlage 1, voorzien van de tekst ‘zone’ duidelijk zichtbaar geplaatst is. Voorts verklaart de ambtenaar:
“Ter plaatse heb ik meerdere mensen gesproken met betrekking tot het fout parkeren. Uit het gesprek kon ik niet op maken welke tot het bovengenoemde motorvoertuig behoorde.”
6. Bij bovengenoemd proces-verbaal bevinden zich 4 foto’s van de gedraging, waarop het voertuig van de betrokkene te zien is, gemaakt om 11.06 uur, 11.07 uur en 11.08 uur. Ook voor en achter het voertuig van de betrokkene staan voertuigen geparkeerd. Rondom de voertuigen zijn geen personen te zien.
7. Uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig geparkeerd heeft aanstonds vast te stellen is omdat zich een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig voordoet, de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan (vgl. het arrest van het hof van 25 november 2019, gepubliceerd op ECLI:NL:GHARL:2019:10098.)
8. Uit de onder 5. genoemde verklaring van de ambtenaar volgt dat hij ter plaatse meerdere mensen heeft gesproken, maar dat hem niet duidelijk was wie de bestuurder was van het bovenvermelde voertuig. Dat brengt mee dat de ambtenaar eerst had moeten onderzoeken wie van de mensen die hij ter plaatse heeft gesproken de bestuurder was van het voertuig met het onder 1. genoemde kenteken. Daarmee is geen sprake van het aanstonds vaststellen van de identiteit van de bestuurder, zodat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd.
9. Het verweer van de gemachtigde slaagt niet. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.