Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1996 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in eerste aanleg gescheiden bij beschikking van 4 mei 2021. De vrouw vordert partneralimentatie en een herziening van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder de verdeling van sieraden, horloges, een woningoverwaarde, tuingrond, auto’s, een lening en een belastingschuld.
De vrouw werkt parttime en stelt onvoldoende inkomen te hebben om in haar levensonderhoud te voorzien, terwijl de man een bijdrage van € 900 per maand zou moeten betalen. Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij niet in redelijkheid zelf in haar behoefte kan voorzien en wijst haar verzoek af.
Verder bevestigt het hof de verdeling van de sieraden en horloges zoals door de rechtbank bepaald, zonder dwangsommen op te leggen. De overwaarde van de woning is aangewend voor aflossing van een schuld aan een vennootschap die tot de gemeenschap behoort. Het onverdeeld aandeel in de tuingrond wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van circa € 1.000, met notariskosten ten laste van partijen gezamenlijk. De verdeling van de auto’s blijft ongewijzigd.
De lening van € 10.000,- die de vrouw bij haar zuster afsloot valt in de gemeenschap en dient door partijen ieder voor de helft te worden gedragen. De man slaagt er niet in een belastingschuld van € 307,- aan te tonen, zodat die niet wordt toegerekend. Ten aanzien van de waarborgsom van de huurwoning kan het hof het verzoek van de man niet toewijzen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek om partneralimentatie en overige grieven af met proceskostencompensatie.