De betrokkene kreeg een sanctie van €105 opgelegd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 12 km/u. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder omdat de bestuurder niet staande was gehouden. De gemachtigde voerde aan dat de ambtenaar ten onrechte geen staandehouding verrichtte terwijl dit mogelijk was, omdat de ambtenaar bezig was met een andere bekeuringssituatie.
Het hof oordeelde dat de keuze van de ambtenaar om de controle zodanig vorm te geven dat geen staandehouding mogelijk was slechts marginaal getoetst kan worden, maar dat wel inzichtelijk gemaakt moet worden waarom staandehouding niet mogelijk was. In deze zaak was dat onvoldoende onderbouwd. De ambtenaar verklaarde dat hij geen stopteken kon geven omdat hij met een andere bekeuringssituatie bezig was, maar dit was onvoldoende reden om de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen.
Daarom vernietigde het hof de beschikking en de sanctie, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.164,75. De overige bezwaren behoefden niet te worden besproken.