ECLI:NL:GHARL:2022:11705

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 augustus 2022
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
21-001311-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Wet op de AccijnsArt. 416 lid 3 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bevestigt vrijspraak wegens onvoldoende bewijs geschiktheid tabak als rooktabak

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het bezit van tabak die mogelijk als rooktabak kwalificeerde onder artikel 32, eerste lid, van de Wet op de Accijns. De rechtbank Overijssel sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen deze vrijspraak.

Tijdens de terechtzitting van het hof Arnhem-Leeuwarden op 22 juli 2022 werd het dossier en de vorderingen van de advocaat-generaal besproken. De verdediging voerde verweer namens verdachte, die zelf niet aanwezig was. Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was in het hoger beroep voor het tweede feit, omdat geen rechtens te beschermen belang meer bestond.

Het hof bevestigde de vrijspraak van de rechtbank voor het eerste feit. Hoewel de advocaat-generaal stelde dat de tabak na versnijding geschikt was om te worden gerookt met een rookmachine en daarmee rooktabak was, concludeerde het hof dat dit onvoldoende bewijs was. De tabak was zonder verdere industriële bewerking niet geschikt als rooktabak. De enkele omstandigheid dat de tabak na versnijding in een rookmachine kon worden gerookt, leidde niet tot een andere conclusie.

Daarmee werd het vonnis van de rechtbank bevestigd met een aanvulling van gronden. Het hoger beroep werd deels niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende bewijs dat de tabak als rooktabak kan worden aangemerkt.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001311-21
Uitspraak d.d.: 5 augustus 2022
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 4 maart 2021 met parketnummer 08-994596-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juli 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. J.T.E. Vis, naar voren is gebracht. De verdachte is niet verschenen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur is het hoger beroep gericht tegen de vrijspraak van verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van het onder feit 2 tenlastegelegde (waarvan verdachte bij het vonnis waarvan beroep eveneens is vrijgesproken) en dat het openbaar ministerie om die reden partieel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande en gehoord de verdediging, is het hof van oordeel dat – nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van het onder feit 2 tenlastegelegde – het openbaar ministerie op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aan zien van feit 1 op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis in zoverre bevestigen.
Daarnaast zal het hof in reactie op het standpunt van de advocaat-generaal een korte aanvullende overweging wijden aan de vrijspraak. Daarom dient het vonnis met aanvulling van gronden te worden bevestigd.

Aanvullende overweging

De advocaat-generaal heeft ter zitting aangevoerd dat de aangetroffen tabak blijkens de bevindingen van mw. [naam] van het Douane Laboratorium als zodanig al geschikt was om – na versnijding – te worden gerookt met behulp van een rookmachine en derhalve kan worden aangemerkt als rooktabak in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Wet op de Accijns.
Het hof overweegt dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de tabak zoals die is aangetroffen zonder verdere industriële bewerking voor roken geschikt was als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de Accijns. De enkele omstandigheid dat de tabak na versnijding te roken was in een rookmachine is op zichzelf genomen onvoldoende om tot een andere conclusie te leiden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. J. Corthals, voorzitter,
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. G. Dam, raadsheren,
in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier,
en op 5 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.