ECLI:NL:GHARL:2022:1108

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 februari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.283.605
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen sanctie wegens negeren rood verkeerslicht

De betrokkene werd als kentekenhouder een sanctie van €240 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 9 april 2019 te ’s-Gravenhage. De betrokkene betwistte de gedraging en bracht getuigenverklaringen en een klokkaart in om aan te tonen dat hij op dat moment aan het werk was.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De gemachtigde voerde aan dat ter zitting stukken niet in de beoordeling waren meegenomen, maar het hof vond dit niet aannemelijk gemaakt.

Het hof stelde vast dat de ambtenaar die de sanctie oplegde direct zicht had op het verkeerslicht en het voertuig met het kenteken van de betrokkene en dat de waarneming betrouwbaar was. De betrokkene kon niet aannemelijk maken dat het voertuig niet op de pleeglocatie was. Daarom bevestigde het hof het oordeel van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep tegen de administratieve sanctie wegens negeren van een rood verkeerslicht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.283.605/01
CJIB-nummer
: 224744947
Uitspraak d.d.
: 14 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Bij brief van 1 oktober 2020 heeft de gemachtigde van de betrokkene een verklaring van een getuige in het geding gebracht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan ter zitting door de kantonrechter in de gelegenheid te zijn gesteld om stukken in te brengen. Hierop is echter plots uitspraak gedaan en zijn de ingezonden stukken niet in de beoordeling meegenomen.
2. De klacht van de gemachtigde betreft hetgeen ter zitting van de kantonrechter is voorgevallen. Kenbron in deze is het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal, tevens houdende beslissing, van de zitting van de kantonrechter van 3 juli 2020. Hieruit kan hetgeen de gemachtigde stelt niet worden afgeleid. Nu de gemachtigde zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat het hof hieraan voorbij.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 april 2019 om 15:51 uur op de Waldeck Pyrmontkade in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde betwist namens de betrokkene de gedraging. Ten tijde van de gedraging was de betrokkene aan het werk waar hij altijd met zijn voertuig naartoe gaat. Ter adstructie zijn getuigenverklaringen en een klokkaart in het geding gebracht.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.”
7. Voorts bevindt zich bij de stukken van het geding een Proces-verbaal Mulder van 3 maart 2020, waarin de ambtenaar verklaart dat hij het kenteken 100% goed heeft waargenomen.
8. De sanctie is aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Gelet hierop is niet relevant waar de betrokkene zich bevond ten tijde van de gedraging. Hoewel het hof wil aannemen dat de betrokkene op dat moment aan het werk was, is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het voertuig niet op de pleeglocatie kan zijn geweest. Door de ambtenaar is verklaard dat hij direct zicht had op het verkeerslicht toen dit werd gepasseerd met het voertuig van de betrokkene. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan deze verklaring. Daarvoor zijn de summiere getuigenverklaringen onvoldoende. De gedraging kan dan ook worden vastgesteld.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.