ECLI:NL:GHARL:2022:10771

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 december 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
Wahv 200.306.549/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990artikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep parkeren zonder vergunning ondanks geldige parkeervergunning in voertuig

De betrokkene kreeg een boete van €95 voor het parkeren op een vergunninghoudersplaats zonder zichtbare vergunning achter de voorruit. Hoewel de vergunning geldig was en in het voertuig lag, was deze niet zichtbaar geplaatst zoals voorgeschreven. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de vergunning wel aanwezig was, maar vergeten was achter de voorruit te plaatsen. Het hof oordeelde dat de gedraging van parkeren zonder vergunning niet kon worden vastgesteld omdat er wel een vergunning was afgegeven voor het voertuig.

Het hof overwoog dat het wijzigen van de feitcode naar een andere overtreding niet passend was gezien het stadium van de procedure en het ontbreken van een verweerschrift van de advocaat-generaal. Daarom vernietigde het hof de eerdere beslissingen en verklaarde het beroep gegrond, waarbij het betaalde bedrag werd gerestitueerd.

Uitkomst: Het hof vernietigt de boete omdat de betrokkene wel een geldige parkeervergunning had, maar deze niet zichtbaar achter de voorruit had geplaatst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.306.549/01
CJIB-nummer
: 236592527
Uitspraak d.d.
: 14 december 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 5 november 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats1] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , woonachtig te [woonplaats1] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig” (feitcode R397i). Deze gedraging zou zijn verricht op 4 augustus 2020 om 12:42 uur op de Onder de Bomen in Thorn met het voertuig met het kenteken [kenteken1] .
2. De gemachtigde voert aan dat zij wel beschikt over een parkeervergunning vanwege haar werk. Zij is die dag vergeten om de parkeervergunning achter de voorruit te plaatsen, maar de parkeervergunning lag wel in het voertuig. Zij controleert niet tijdens de lunch of zij is vergeten de vergunning te plaatsen. De gemachtigde vindt het boetebedrag niet in verhouding staan tot de gedraging.
3. De gemachtigde heeft eerder in de procedure een foto overgelegd van een voor de onder 1. genoemde locatie en voor de voertuigen met de kentekens [kenteken1] en [kenteken2] afgegeven parkeervergunning. Op deze vergunning staat onder meer vermeld: U dient deze parkeervergunning duidelijk leesbaar voor de voorruit van uw voertuig te plaatsen.”
4. De onder 1. genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Dit artikel luidt:
“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.”
5. In het dossier bevindt zich het brondocument met foto’s van de gedraging en daarnaast een schrijven van 22 januari 2021, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer verklaart:
“Het voertuig stond geparkeerd op een vergunninghoudersparkeerplaats zonder vergunning onder de voorruit. Ik heb de bestuurder van het voertuig 10 minuten pardontijd gegeven.
Ik heb de vergunning niet waargenomen in het voertuig. Zij lag niet onder de voorruit.
De vergunning was geldig op het moment van parkeren. De betrokkene heeft zich niet aan de voorwaarden van de vergunning gehouden want de vergunning lag niet voor het raam zoals te zien in het brondocument.
6. Uit het dossier volgt dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een parkeerplaats voor vergunninghouders en dat er geen parkeervergunning achter de voorruit was geplaatst. Echter kan ook worden vastgesteld dat voor het parkeren ter plaatse met het betreffende voertuig wel een vergunning was afgegeven. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode R397i, parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig, is verricht.
7. Hoewel op basis van de gegevens in het dossier valt vast te stellen dat de gedraging met feitcode R592A “voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden” is verricht, ziet het hof gelet op het stadium van de procedure, in aanmerking genomen dat de advocaat-generaal geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om een verweerschrift uit te brengen en daarbij een dergelijk voorstel te doen, geen aanleiding om de feitcode en de omschrijving van de gedraging te wijzigen. Nu de gemachtigde niet op zodanige wijziging heeft kunnen reageren, wordt zij mogelijk in haar verdedigingsbelangen geschaad. Dit leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.