Uitspraak
[appellant],
1.burgerlijke maatschap [geïntimeerde1] ,
[geïntimeerden],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of de opzegging van een huurovereenkomst voor een winkelruimte, gedaan in september 2014 tegen 1 november 2014, kan worden geconverteerd naar een opzegging tegen de eerstvolgende verlengingsdatum in november 2019. De kantonrechter had de conversie afgewezen en het hof bevestigt dit oordeel. De verhuurder had de opzegging niet geaccepteerd vanwege het niet in acht nemen van de opzegtermijn van één jaar.
Het hof overweegt dat zelfs als minder gewicht wordt toegekend aan de expliciete opzegdatum van 1 november 2014, conversie naar een latere datum onredelijk zou zijn tegenover de verhuurder. Tijdens onderhandelingen na de opzegging is afgesproken dat de huurder het pand mocht onderverhuren, maar er is geen bewijs voor een afspraak dat de huur per november 2019 zou eindigen.
Daarnaast oordeelt het hof dat het onaanvaardbaar is om de huurder na 2019 nogmaals aan een huurtermijn van vijf jaar te houden. De huurder heeft onvoldoende concrete feiten gesteld en bewezen die aantonen dat de verhuurder vóór november 2018 op de hoogte was van een wens tot beëindiging per eind oktober 2019. De huur loopt derhalve door na de eerste periode.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellant af.