ECLI:NL:GHARL:2022:10219

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
200.312.676
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 3 IVRKArt. 20 IVRKArt. 810a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag moeder over minderjarige

De vader en moeder waren getrouwd maar leefden gescheiden en oefenden gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, geboren in 2021. Na voorlopige ondertoezichtstelling en schorsing van het gezag van beide ouders, besloot de rechtbank het gezag van de ouders te beëindigen en een gecertificeerde instelling als voogd aan te stellen.

De moeder ging in hoger beroep tegen de beëindiging van haar gezag en verzocht primair afwijzing van het verzoek tot beëindiging en subsidiair een contra-expertise. Het hof hield een mondelinge behandeling waarbij de moeder en vader niet aanwezig waren.

Het hof overwoog dat het belang van het kind voorop staat en dat de moeder door haar problematische situatie, waaronder middelengebruik, mishandeling en dakloosheid, niet in staat is verantwoorde beslissingen te nemen over het kind. De moeder had slechts eenmaal contact gehad met het kind sinds de geboorte.

Het hof wees het verzoek tot deskundigenonderzoek af omdat het kind zeer kwetsbaar is en het onderzoek belastend zou zijn, terwijl de situatie van de moeder niet was verbeterd. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige en wijst het verzoek tot deskundigenonderzoek af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.312.676
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 532292)
beschikking van 29 november 2022
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vader,
en
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 maart 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juni 2022;
  • het verweerschrift met een productie, en
  • een brief van de GI van 12 oktober 2022.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 28 oktober 2022 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • een vertegenwoordiger van de raad en
  • een vertegenwoordiger van de GI.
Een collega van de raadsvertegenwoordiger was als toehoorder aanwezig.
De moeder was niet aanwezig. De vader is opgeroepen, maar was evenmin niet aanwezig.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn getrouwd, maar zij leven gescheiden. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren [in] 2021 te [woonplaats1] . Tot aan de bestreden beschikking oefenden de ouders samen het gezag uit over [de minderjarige] .
3.2
Op 1 juli 2021 is de toen nog ongeboren [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 30 september 2021 is de moeder geschorst in de uitoefening van haar ouderlijk gezag. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind. Bij beschikking van 19 november 2021 is ook de vader geschorst in de uitoefening van zijn ouderlijk gezag.
3.3
[de minderjarige] is na zijn geboorte een week ter observatie in het ziekenhuis gebleven en daarna is hij geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en de GI benoemd als voogd over [de minderjarige] .
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) wat betreft de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] en, opnieuw beschikkende:
Primair:
I. alsnog het verzoek van de raad tot beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] af te wijzen;
Subsidiair:
II. een contra-expertise te gelasten en de zaak in afwachting daarvan aan te houden.
4.3
De raad voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De GI heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

Gezagsbeëindiging
5.1
Op grond van artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen. Het hof voegt hieraan nog het volgende toe.
5.4
Uit de informatie van de GI blijkt dat de situatie van de moeder niet is gewijzigd. De GI heeft in de afgelopen maanden meerdere zorgmeldingen omtrent de moeder ontvangen vanuit de politie en Veilig Thuis. In de zorgmeldingen is te lezen dat moeder onder invloed is, mishandeld is door haar huidige partner en zelf zegt dakloos of onder invloed van drugs te zijn.
De moeder heeft [de minderjarige] na zijn geboorte een keer gezien: op 24 mei 2022 en gedurende ongeveer een uur. Het heeft de GI veel moeite gekost om de moeder zover te krijgen.
Omdat de moeder nog maar één keer contact heeft gehad met [de minderjarige] , heeft zij geen zicht op wat het meest in het belang van [de minderjarige] is. Duidelijk is dat de moeder als gevolg van haar persoonlijke problematiek en functioneren in het geheel niet in staat verantwoorde beslissingen te nemen over [de minderjarige] . Het hof is het daarom eens met de beslissing van de rechtbank het gezag van de moeder te beëindigen.
Verzoek deskundigenonderzoek
5.5
De moeder heeft het hof daarnaast verzocht om op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een onderzoek door een onafhankelijke deskundige te gelasten naar haar geschiktheid om [de minderjarige] zelf te verzorgen en op te voeden. De moeder is van mening dat haar (nieuwe) situatie haar de mogelijkheid geeft om de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie te waarborgen. De deskundige die het onderzoek gaat verrichten dient advies uit te brengen met inachtneming van de door de moeder geformuleerde vragen.
5.6
In artikel 810a lid 2 Rv staat dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.7
Het hof is van oordeel dat het verzoek tot een deskundigenonderzoek moet worden afgewezen, omdat [de minderjarige] - bijna één jaar oud - zeer kwetsbaar is en geheel afhankelijk van zijn verzorgers, terwijl - anders dan de moeder stelt - haar persoonlijke situatie niet is gewijzigd. Nog steeds staan de leefsituatie van de moeder en haar ernstig middelengebruik er aan in de weg dat zij [de minderjarige] zelf verzorgt en opvoedt. Een deskundigenonderzoek is zeer belastend voor [de minderjarige] en zijn belang verzet zich dan ook tegen een deskundigenonderzoek, terwijl een onderzoek zoals de moeder verzoekt ook niet tot een andere beslissing in deze zaak zal leiden.

6.De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het verzoek om een deskundige te benoemen, afwijzen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 maart 2022;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, E. de Boer en D.J.I. Kroezen en is op 29 november 2022 uitgesproken door mr. E. de Boer in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.