ECLI:NL:GHARL:2022:1018

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
9 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.291.404/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctiebeschikking snelheidsovertreding op basis van trajectsnelheidsmeter

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €372 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met 35 km/h op de Ringweg-Noord (A10) te Amsterdam op 17 mei 2020. De betrokkene en zijn gemachtigde voerden in hoger beroep aan dat de gebruikte beelden voor de vaststelling van de overtreding niet waren verstrekt en dat de gedraging ontkend werd.

Het hof overwoog dat de sanctie op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv kan worden opgelegd op basis van gegevens die door een bevoegde ambtenaar of geautomatiseerd zijn vastgesteld. De juistheid van deze gegevens staat vast tenzij er gegronde twijfel bestaat. De enkele ontkenning van de gedraging en het ontbreken van beelden leiden niet tot twijfel, omdat de overtreding is vastgesteld met een geteste en goedgekeurde mobiele trajectsnelheidsmeter, niet op basis van cameraopnames.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene was vanwege COVID-19 maatregelen niet in de gelegenheid gesteld de beelden in het meetvoertuig te bekijken, maar dit was niet doorslaggevend voor de rechtmatigheid van de sanctiebeschikking.

Uitkomst: De sanctiebeschikking voor de snelheidsovertreding wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.291.404/01
CJIB-nummer
: 233695698
Uitspraak d.d.
: 9 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 januari 2022. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 372,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 35 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 mei 2020 om 15:22 uur op de Ringweg-Noord (A10) in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent de gedraging. Verder voert hij aan dat de beelden die zijn gebruikt ter vaststelling van de gedraging ten onrechte niet zijn verstrekt. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 26 maart 2021 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2021:2897). De inleidende beschikking moet daarom worden vernietigd.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte mobiele trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand. (…)
Afgelegde wegafstand : 1199 m.
Gebruikte tijd : 30,68 sec.
Gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid : 140.
Werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid: 135.
Toegestane snelheid : 100.
Overschrijding met : 35.
Opmerkingen ambtenaar 1: In verband met de Covid-19 corona-uitbraak en de daaruit voortvloeiende maatregelen en aangepaste werkinstructie verkeershandhaving is de betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om de beelden in het meetvoertuig te bekijken.”
5. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bovengenoemde gegevens. De enkele ontkenning dat de gedraging is verricht is daartoe onvoldoende. De omstandigheid dat de beelden niet zijn verstrekt geeft geen aanleiding om de inleidende beschikking te vernietigen. De gedraging is, in tegenstelling tot het arrest waarnaar de gemachtigde verwijst, namelijk niet geconstateerd op basis van die beelden, maar op basis van de resultaten van de meting met een trajectsnelheidsmeter. Het verweer faalt.
6. Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.