ECLI:NL:GHARL:2022:10138

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 november 2022
Publicatiedatum
25 november 2022
Zaaknummer
21-003270-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 348 SvArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak op Opiumwetartikel

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. De politierechter wees een beslissing die het openbaar ministerie had ingesteld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof behandelde het hoger beroep tegen deze beslissing en nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal tot ontneming van een bedrag van €46.000,00. Tijdens de terechtzitting bracht de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, verweer tegen deze vordering.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de samenhang met artikel 511e en 348 van het Wetboek van Strafvordering, een veroordeling wegens een strafbaar feit vereist is voor ontvankelijkheid in een ontnemingsvordering. Nu de verdachte in de strafzaak door het hof is vrijgesproken van het tenlastegelegde, is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

Daarom vernietigde het hof de eerdere beslissing en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze uitspraak werd gedaan tijdens de openbare terechtzitting op 17 november 2022.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003270-21
Uitspraak d.d.: 17 november 2022
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2021 met parketnummer 18-299667-20 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 november 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering strekt tot schatting van het door betrokkende wederrechtelijk verkregen voordeel op
€ 46.000,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw,
mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.
Betrokkene is in de strafzaak bij arrest van dit hof van 17 november 2022 (parketnummer 21-003264-21) vrijgesproken van het tenlastegelegde, te weten: het in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze vrijspraak brengt mee dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.J. Zieleman, griffier,
en op 17 november 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.