ECLI:NL:GHARL:2022:10138
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak op Opiumwetartikel
In deze zaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. De politierechter wees een beslissing die het openbaar ministerie had ingesteld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof behandelde het hoger beroep tegen deze beslissing en nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal tot ontneming van een bedrag van €46.000,00. Tijdens de terechtzitting bracht de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, verweer tegen deze vordering.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de samenhang met artikel 511e en 348 van het Wetboek van Strafvordering, een veroordeling wegens een strafbaar feit vereist is voor ontvankelijkheid in een ontnemingsvordering. Nu de verdachte in de strafzaak door het hof is vrijgesproken van het tenlastegelegde, is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.
Daarom vernietigde het hof de eerdere beslissing en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze uitspraak werd gedaan tijdens de openbare terechtzitting op 17 november 2022.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de vrijspraak van verdachte.