ECLI:NL:GHARL:2022:1013

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
9 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.292.228/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 10 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter wegens schending procesorde en ongegrondverklaring beroep verkeersboete

De betrokkene stelde beroep in tegen een verkeersboete opgelegd wegens het parkeren op het trottoir. De kantonrechter had buiten zitting om zonder kennisgeving aan de betrokkene meerdere e-mails uitgewisseld met de officier van justitie, wat het hof als strijdig met de behoorlijke procesorde en het EVRM beoordeelde. Hierdoor werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd.

Inhoudelijk betwistte de betrokkene de boete met een beroep op overmacht, omdat de bestuurder haar moeder, die van de trap was gevallen, moest helpen. Het hof oordeelde dat dit beroep onvoldoende was onderbouwd met medische stukken en dat de omstandigheden geen matiging van de sanctie rechtvaardigden. De verkeersregel dat het trottoir niet gebruikt mag worden, was duidelijk en werd niet door bijzondere omstandigheden doorbroken.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. Van Schuijlenburg, met mr. Starreveld als griffier, tijdens een openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd wegens schending van de procesorde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.292.228/01
CJIB-nummer
: 225716508
Uitspraak d.d.
: 9 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 4 februari 2021, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 20 januari 2022 zijn door de advocaat-generaal nog aanvullende stukken toegestuurd. Deze zijn (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 januari 2022. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter meerdere e-mails naar de CVOM heeft verzonden, waarin hij verzoekt om informatie. De gemachtigde is niet in kennis gesteld van deze e-mails. Ook bevinden zich geen uitdraaien van deze e-mails in het door de kantonrechter aan de gemachtigde verstrekte afschrift van het dossier. Pas na het instellen van het hoger beroep heeft de gemachtigde kennis genomen van deze e-mails. Tegen de achtergrond van de beginselen van hoor en wederhoor, openbaarheid en equality of arms is het onaanvaardbaar dat de kantonrechter informeel contact opneemt met één van de partijen zonder de andere partij daarvan in kennis te stellen. Deze handelswijze getuigt bovendien van een zekere partijdigheid. Aldus is sprake van een schending van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
2. Uit het dossier blijkt voor zover relevant het volgende. Op 29 juli 2020 heeft de kantonrechter een e-mail aan de CVOM gestuurd, waarin hij vraagt of er nog een reactie is gekomen op het verzoek van de officier van justitie aan de gemeente om een foto van de gedraging te verstrekken en zo ja, of die foto kan worden overgelegd en zo nee, of kan worden aangedrongen op een reactie. Op 8 september 2020 heeft de kantonrechter een e-mail aan de CVOM gestuurd met de vraag of bij de ambtenaar nadere informatie kan worden opgevraagd. Op 18 november 2020 heeft de kantonrechter een e-mail aan de CVOM gestuurd met de opmerking dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op zijn e-mail van 8 september 2020 en met het verzoek om aan de ambtenaar te vragen zo spoedig mogelijk te reageren. Bij brief van 23 november 2020 heeft de kantonrechter aan de gemachtigde een afschrift van het dossier verstrekt. Niet gebleken is dat de gemachtigde in kennis is gesteld van de bovengenoemde e-mails.
3. Het hof stelt vast dat de kantonrechter buiten de zitting om heeft gecorrespondeerd met één van de procespartijen over de inhoud van de aan hem voorgelegde zaak, zonder de andere procespartij daarvan onverwijld op de hoogte te stellen. Dit brengt mee dat sprake is van een schending van een behoorlijke procesorde. Aannemelijk is geworden dat de betrokkene hierdoor in zijn belangen geschaad. De gemachtigde heeft aangegeven dat hij, als hij eerder op de hoogte was geraakt van de gang van zaken, een wrakingsverzoek had ingediend. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven.
4. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij die beslissing is het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 mei 2019 om 17:02 uur op de Molenstraat ter hoogte van perceel 55 in Enschede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De gemachtigde betwist niet dat het voertuig van de betrokkene op het trottoir stond, maar stelt dat sprake was van overmacht, dan wel dat het sanctiebedrag moet worden gematigd. De moeder van de bestuurder was van de trap gevallen. De bestuurder ging haar ophalen om naar de huisartsenpost te brengen. Aangezien de moeder als gevolg van de val niet meer zelfstandig kon lopen, moest de bestuurder haar boven ophalen en naar beneden tillen. Zij heeft de auto voor de deur op het trottoir gezet, zodat zij haar moeder direct naar de auto kon tillen. Dit had voor de ambtenaar duidelijk moeten zijn, omdat de voordeur van het huis open stond en de waarschuwingslichten van de auto brandden. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een door de bestuurder opgemaakte verklaring overgelegd, alsmede een verklaring van haar moeder.
7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat niet wordt betwist dat het voertuig van de betrokkene op het trottoir stond, staat vast dat de gedraging is verricht.
8. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
9. De gemachtigde heeft een beroep gedaan op overmacht. Een geslaagd beroep op overmacht kan leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege zou moeten blijven. Aan een dergelijk beroep dient tenminste de eis te worden gesteld dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de bestuurder onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Aan dit vereiste is in het onderhavige geval niet voldaan. De stelling dat de moeder van de bestuurder naar de huisartsenpost moest worden gebracht is namelijk onvoldoende met medische stukken onderbouwd. Er zijn slechts verklaringen van de bestuurder en haar moeder overgelegd. Daaruit blijkt echter niet wat de aard en de ernst van de medische situatie van de moeder was. Verder blijkt uit de foto’s van de gedraging, die in hoger beroep door de advocaat-generaal zijn overgelegd, - anders dan de gemachtigde stelt - niet dat de voordeur van het huis open stond en dat de waarschuwingslichten van de auto brandden. Het beroep op overmacht wordt dan ook verworpen.
10. Ook overigens ziet het hof in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om de sanctie achterwege te laten, dan wel het bedrag van de sanctie te matigen. Op grond van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 mogen bestuurders van motorvoertuigen in geen geval gebruik maken van het trottoir. Een in strijd met dat artikel verrichte gedraging rechtvaardigt op zichzelf al het opleggen van een sanctie. De omstandigheid dat de bestuurder het verkeer op de rijbaan niet wilde hinderen, maakt niet dat zij naar eigen inzicht mocht afwijken van de verkeersregels.
11. Het voorgaande brengt mee dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.