Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de advocaat van de moeder,
- [naam1] , namens de raad;
- [naam2] , namens de GI.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een minderjarige die sinds 2019 zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder heeft, maar sinds 2021 feitelijk bij zijn oma woont. De moeder verhuisde met het kind en zijn halfbroer naar een andere woonplaats, wat het kind niet wenste. Na een conflict is het kind bij zijn oma gaan wonen, waar hij zich goed ontwikkelt.
De kinderrechter stelde het kind onder toezicht van een gecertificeerde instelling en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing bij de oma. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking. Het hof oordeelt dat de moeder onvoldoende rekening houdt met de belangen van het kind, die door de verhuizing en het wisselen van school ernstig worden bedreigd.
Het hof stelt vast dat het kind baat heeft bij het verblijf bij de oma, waar hij zich veilig voelt en goed ontwikkelt. De moeder belemmert bovendien noodzakelijke hulpverlening. Daarom is de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk en wordt de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij zijn oma.