Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:8785

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 september 2021
Publicatiedatum
20 september 2021
Zaaknummer
TBS P21/0179
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatieWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verlenging maatregel terbeschikkingstelling zonder zorgmachtiging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 september 2021 het beroep van het openbaar ministerie tegen de afwijzing van de verlenging van de maatregel terbeschikkingstelling door de rechtbank Amsterdam behandeld.

De terbeschikkinggestelde kampt met schizofrenie en verslavingsproblematiek, maar verkeert in een stabiele situatie met medicatietrouw en goede begeleiding. De raadsman pleitte voor beëindiging van de maatregel vanwege het lage recidiverisico en afwezigheid van noodzaak voor een zorgmachtiging.

De advocaat-generaal stelde dat beëindiging alleen verantwoord is indien gelijktijdig een zorgmachtiging wordt verleend om een strakker kader te bieden en crisissituaties te voorkomen. Het hof oordeelde echter dat het gevaar op herhaling zodanig is afgenomen dat verlenging niet nodig is en wees het verzoek tot zorgmachtiging af.

De beslissing van de rechtbank Amsterdam wordt daarmee bevestigd en de maatregel terbeschikkingstelling wordt beëindigd zonder zorgmachtiging.

Uitkomst: De maatregel terbeschikkingstelling wordt niet verlengd en beëindigd zonder zorgmachtiging.

Uitspraak

TBS P21/0179
Beslissing d.d. 9 september 2021
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
wonende op [adres] in [woonplaats] .
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2021, inhoudende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling alsmede afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de officier van justitie om een zorgmachtiging te laten onderzoeken.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van beroep van de officier van justitie van 26 april 2021;
- het voortgangsverslag terbeschikkingstelling voorwaardelijk einde dwangverpleging van Reclassering Nederland van 4 mei 2021;
- de memorie van appel van de officier van justitie van 7 mei 2021;
- de update van het verlengingsadvies van de reclassering van 11 augustus 2021.
Het hof heeft ter zitting van 26 augustus 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Burmeister, advocaat te Amsterdam, en de advocaat generaal mr. J.J.T.M. Pieters. Voorts is als deskundige gehoord [reclasseringswerker] , reclasseringswerker. Op deze zitting is ook behandeld het verzoekschrift van de officier van justitie, ingekomen op 12 augustus 2021, voor de afgifte van een machtiging als bedoeld in der Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg tot het verlenen van verplichte zorg.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman
Het gaat goed met de terbeschikkinggestelde. Hij heeft wekelijks contact met begeleiders van Inforsa en Discus. Daarnaast heeft hij dagelijks contact met zijn broer. Momenteel werkt hij nog op een zorgboerderij, waar ook begeleiding aanwezig is. Omdat een aantal vrijwilligers op de zorgboerderij (ex-)alcoholist is en de terbeschikkinggestelde daar afstand van wil nemen, is hij op zoek naar ander werk. Hij wil graag als facilitair medewerker in de keuken van een hotel werken. Hij haalt zijn depotmedicatie nog altijd volgens voorschrift en gaat daarmee door als de maatregel van terbeschikkingstelling wordt beëindigd. Hij is ervan overtuigd dat medicatie ook noodzakelijk is om stabiel te blijven.
De raadsman heeft bepleit de vordering tot verlenging van de maatregel af te wijzen en de beslissing van de rechtbank te bevestigen. Op dit moment is het recidiverisico dusdanig laag dat de maatregel kan worden beëindigd. De situatie van de terbeschikkinggestelde is stabiel. Hij is medicatietrouw en goed ingebed in zorg. Er is geen reden om te verwachten dat dit zal veranderen. De raadsman ziet daarom ook geen reden voor een zorgmachtiging.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Er is bij de terbeschikkinggestelde sprake van schizofrenie in combinatie met verslavingsproblematiek. Dat is een complex ziektebeeld. De terbeschikkinggestelde gebruikt depotmedicatie en heeft voor de korte termijn voldoende zorg om zich heen, maar het is de vraag hoe dat op lange termijn zal zijn. De advocaat-generaal vraagt zich af wat er zal gebeuren als de terbeschikkinggestelde met zijn medicatie stopt en zal gaan decompenseren. De kans is aanwezig dat de terbeschikkinggestelde dan gevaarlijk gedrag voor anderen en zichzelf zal gaan vertonen. Teneinde de terbeschikkinggestelde een kans te bieden om in de samenleving te overleven is medicatie noodzakelijk en een strakker kader geboden. Er is alle reden om de maatregel van terbeschikkingstelling te beëindigen, maar dan moet er wel een zorgmachtiging worden afgegeven die dat strakkere kader biedt en indien nodig een crisissituatie kan afwenden. Daarom heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden beëindigd mits er gelijktijdig een zorgmachtiging wordt verleend. Indien die zorgmachtiging niet wordt verleend, dient de maatregel alsnog te worden verlengd met één jaar.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.
Het hof heeft het tegelijkertijd met de onderhavige zaak behandelde verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg afgewezen. Deze betreffende beschikking is samen met deze beslissing uitgesproken. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat ook zonder een zorgmachtiging het gevaar op herhaling inmiddels zodanig is verminderd dat het verantwoord moet worden geacht de maatregel van terbeschikkingstelling te beëindigen.

Beslissing

Het hof:
Bevestigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2021 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde
[terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr. M.E. van Wees als voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. M.J. Vos als raadsheren,
en dr. J. Lucieer en drs. I.M. van Woudenberg als raden,
in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma als griffier,
en op 9 september 2021 in het openbaar uitgesproken.
mr. Ficq en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.