ECLI:NL:GHARL:2021:843

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 januari 2021
Publicatiedatum
28 januari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.246.437/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 WahvArt. 12 WahvArt. 13 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeslissing wegens ontbreken staandehouding bij roodlichtnegatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de betrokkene tegen een sanctiebeslissing van de officier van justitie wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 25 juli 2017.

De betrokkene voerde aan dat zij op dat moment geen gebruik maakte van het voertuig en verwees naar een getuigenverklaring van haar echtgenoot. Tevens stelde zij dat er geen staandehouding had plaatsgevonden, waardoor zij niet kon reageren op de overtreding. Het hof constateerde dat er geen proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter was overgelegd, wat in strijd is met de Wahv, en vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter.

Het hof oordeelde dat de enkele mededeling van de ambtenaar dat hij bezig was met een onopvallende controle onvoldoende is om te concluderen dat staandehouding niet mogelijk was. Hierdoor was de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. De beslissing van de officier van justitie werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard.

Daarnaast werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van €1068,-.

Uitkomst: De sanctiebeslissing wegens het negeren van het rode verkeerslicht wordt vernietigd wegens het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.246.437/01
CJIB-nummer
: 209419817
Uitspraak d.d.
: 28 januari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 augustus 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 16 oktober 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Er is geen reactie ontvangen op het in het tussenarrest opgenomen verzoek om het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 15 augustus 2018.

De beoordeling

1. Uit artikel 13, tweede en derde lid, van de Wahv in combinatie met artikel 12 van Pro de Wahv kan worden afgeleid dat van elke zitting die krachtens de Wahv wordt gehouden, een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt. Nu door de griffier van de rechtbank geen proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 15 augustus 2018 is overgelegd, is in strijd gehandeld met de hiervoor genoemde artikelen. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen. Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, behoeven de overige bezwaren tegen die beslissing geen bespreking meer. Het hof zal vervolgens het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
2. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 juli 2017 om 8.45 uur op de Nieuwe Veerstal in Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
3. De gemachtigde voert onder meer aan dat de betrokkene op 25 juli 2017 geen gebruik heeft gemaakt van haar voertuig en dat het voertuig ook niet was uitgeleend. Zij was die dag thuis met haar man en pasgeboren kindje. De gemachtigde verwijst hierbij naar een overgelegde getuigenverklaring van de echtgenoot van de betrokkene. De betrokkene is ervan overtuigd dat de verbalisant een onjuist kenteken heeft genoteerd. Hierbij is mede van belang dat er geen foto van de gedraging is en dat er geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Bij staandehouding zou de betrokkene direct kunnen reageren en staat vast dat de betrokkene op genoemde datum en tijd op de pleeglocatie aanwezig was.
4. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruising Oosthaven. (…)
Reden geen staandehouding: verbalisant was bezig met een onopvallende controle waardoor staandehouding niet mogelijk was.”
6. Uit voormelde verklaring volgt dat de ambtenaar ter plaatse was ten tijde van de vaststelling van de gedraging. Hetgeen de ambtenaar naar voren heeft gebracht vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat staandehouding niet reëel mogelijk was. De enkele stelling dat de ambtenaar bezig was met een onopvallende controle rechtvaardigt niet het afzien van een staandehouding. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal als volgt beslissen. Dit betekent dat de overige bezwaren geen bespreking behoeven.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal vier procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1068,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1068,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.