Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor valsheid in geschrift door het opmaken en vervalsen van urenbriefjes met fictieve gewerkte uren en gereden kilometers in het kader van een Persoonsgebonden Budget (PGB). Dit gebeurde in de periode van 15 april tot en met 9 mei 2016, nadat de zorgovereenkomst met de cliënt was beëindigd. Verdachte gebruikte vervalste handtekeningen om de declaraties bij de Sociale Verzekeringsbank in te dienen en ontving zo onterecht ruim €11.000.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank Noord-Nederland en kwam tot een andere bewijsbeslissing, waarbij alleen het valselijk opmaken van urenbriefjes in de genoemde periode werd bewezen verklaard. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten. Naast de valsheid in geschrift werden ook vier diefstallen als ad informandum feiten meegewogen.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de eerdere veroordelingen van verdachte voor vermogensdelicten, en haar persoonlijke omstandigheden waaronder behandeling en begeleiding voor persoonlijkheids- en aanpassingsstoornissen. Het hof legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, geheel voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar, als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.