In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de verkoop van een winkelpand door de vader van de appellant vernietigbaar was wegens wilsonbekwaamheid ten tijde van de transactie. De appellant stelde dat de verkoopprijs te laag was en dat zowel de vader als de rechthebbende niet meer in staat waren de gevolgen van de verkoop te overzien, waardoor de verkoop onrechtmatig zou zijn.
Het hof heeft uitgebreid de medische rapporten en taxatierapporten bestudeerd. Uit het medisch advies van de huisarts bleek twijfel over de wilsbekwaamheid van de vader, maar de geriater concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat de vader ten tijde van de verkoop niet handelingsbekwaam was. Daarnaast waren de taxatierapporten die een lagere waarde van het pand ondersteunden, in lijn met de verkoopprijs, en was de hogere WOZ-waarde niet doorslaggevend.
De eiswijziging om ook de verkoop van het woonhuis terug te draaien werd door het hof afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Nieuwe stellingen over bedrog of misbruik van omstandigheden werden buiten beschouwing gelaten vanwege de tweeconclusieregel.
Het hof concludeerde dat er onvoldoende grond was om de koopovereenkomst te vernietigen en wees de vordering af. De appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.