ECLI:NL:GHARL:2021:7496

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 augustus 2021
Publicatiedatum
4 augustus 2021
Zaaknummer
Wahv 200.274.939/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 11 WahvArt. 24 RVV 1990Art. 67 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie parkeren buiten toegestane tijden

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor parkeren op een plek met een E4-bord met onderbord waarop stond dat parkeren alleen was toegestaan van vrijdag 22:00 uur tot zaterdag 20:00 uur. De sanctie werd opgelegd omdat de betrokkene op vrijdag om 23:02 uur geparkeerd zou hebben, wat volgens de officier van justitie verboden was.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het niet duidelijk was dat parkeren verboden was en dat er betaald was via een parkeerapp. Tevens werd aangevoerd dat de foto als bewijs niet voorzien was van datum en tijd en dat het bord niet vanaf alle inritten zichtbaar was. Het hof stelde vast dat het administratief beroepschrift geen gronden bevatte, wat een verzuim is volgens de Awb, en dat de kantonrechter ten onrechte het beroep ongegrond verklaarde.

Het hof oordeelde dat het bord E4 met onderbord juist betekende dat parkeren toegestaan was binnen de vermelde tijden, en aangezien de sanctie werd opgelegd binnen die toegestane periode, was de gedraging niet onrechtmatig. Daarom werd de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1202,-.

Uitkomst: De administratieve sanctie voor parkeren buiten toegestane tijden wordt vernietigd en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.274.939/01
CJIB-nummer
: 222077106
Uitspraak d.d.
: 4 augustus 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat hij niet op behoorlijke wijze in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het administratief beroep aan te vullen. Enkel aangeven dat er op de hoorzitting gronden aangevuld kunnen worden, is geen herstelverzuim. De betrokkene heeft het recht om de gronden schriftelijk aan te vullen.
2. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 6 maart 2019 waarin staat dat de gemachtigde tijdens een hoorzitting de gelegenheid krijgt om de gronden van beroep aan te vullen.
3. Het hof stelt vast dat het administratief beroepschrift geen gronden bevat. Dit betreft een verzuim in de zin van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het beroep in te dienen door middel van een brief waarin wordt gewezen op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet herstellen van het verzuim. Enkel aangeven dat de gronden tijdens de hoorzitting kunnen worden aangevoerd, is niet voldoende. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6:6 van Pro de Awb en mocht de officier van justitie het beroep niet niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van gronden. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde gronden behoeven nu geen bespreking meer. Vervolgens staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling.
4. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid op dagen/uren waarop volgens onderbord verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 december 2018 om 23:02 uur op de Binnenrotte in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene zich van geen kwaad bewust is en geen bon achter de ruitenwisser heeft aangetroffen. De betrokkene heeft op een reguliere parkeerplek geparkeerd gestaan waarbij niet duidelijk is aangegeven dat daar niet geparkeerd mag worden om 23:02 uur ’s avonds. Er is ook betaald voor deze plek via de app van Parkline. In reactie op de door de advocaat-generaal in hoger beroep verstrekte foto, voert de gemachtigde -samengevat- aan dat deze foto niet is voorzien van een datum en tijd. De gemachtigde denkt daarom dat deze foto later is gemaakt. Daarnaast heeft de advocaat-generaal niet aannemelijk gemaakt dat er een bord E4 hangt met onderbord waarop vermeld staat dat er niet geparkeerd mag worden en dat deze te zien is vanaf alle inritten. De ambtenaar geeft bovendien aan dat er een bord E4 gold met onderbord: vrijdag 22:00 tot zaterdag 20:00 uur. De gemachtigde vraagt zich dan ook af wat de betrokkene fout heeft gedaan nu het voertuig er op vrijdag om 23:02 uur stond. Tot slot voert de gemachtigde nog aan dat niet van de standaardtekst uit het zaakoverzicht kan worden uitgegaan nu dit niet onder ede is en pleit hij dat de proceskosten vergoed dienen te worden nu de foto rijkelijk laat in het geding is gebracht.
6. In artikel 67, eerste lid, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) is bepaald dat onder verkeersborden aangebrachte onderborden een nadere uitleg van het verkeersbord kunnen inhouden.
7. In artikel 24, tweede lid, van het RVV 1990 is bepaald dat, indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1 van de RVV 1990 op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gelden gedurende de aangegeven dagen of uren. Uit bijlage 1 van het RVV 1990 blijkt dat een parkeergelegenheid wordt aangeduid met bord E4.
8. Uit het zaakoverzicht volgt dat artikel 24, eerste lid, onder d, van het RVV is overtreden met het voertuig met het onder 4. vermelde kenteken. Verder staat is in het zaakoverzicht het volgende opgenomen onder het kopje ‘opmerkingen ambtenaar 1’: Bord E4. Ik zag dat het voornoemde voertuig geparkeerd stond op een parkeergelegenheid waarop het bord E4 van toepassing is met het volgende onderbord: vrijdag 22.00 uur tot zaterdag 20.00 uur. Het betrokken voertuig voldoet niet aan en of behoorde niet tot de aangewezen categorie.”
9. Het hof baseert zich op de informatie in het dossier. Blijkens de door de ambtenaar verstrekte informatie gaat het hier om een bord E4, waaraan een onderbord is geplaatst met de tekst “vrijdag 22.00 uur tot zaterdag 20.00 uur (vgl. hiervoor). De combinatie van het E4-bord met het onderbord leidt tot de conclusie dat het alleen op vrijdag vanaf 22.00 uur tot aan zaterdag 20.00 uur is toegestaan te parkeren. Nu de sanctie op een vrijdag om 23.02 uur is opgelegd, derhalve binnen de tijdspanne op het onderbord, is de onderhavige gedraging niet verricht. De inleidende beschikking kan dan ook geen stand houden. De overige bezwaren behoeven dan ook geen bespreking meer.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal drieënhalf procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1202,-.
11. Het hof beslist als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1202,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.