Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen twee broers die gezamenlijk eigenaar zijn van een winkelpand. De kantonrechter heeft eerder geoordeeld dat geïntimeerde recht heeft op de helft van de opbrengsten van het pand en heeft appellant veroordeeld tot betaling van achterstallige bedragen en maandelijkse betalingen.
Appellant is in hoger beroep gegaan en heeft meerdere malen uitstel gekregen om de memorie van grieven in te dienen, maar heeft uiteindelijk geen memorie van grieven genomen. In plaats daarvan diende hij een akte in met een provisionele vordering. Het hof oordeelt dat deze akte niet voldoet aan de eisen voor een memorie van grieven en dat het recht om deze te nemen is vervallen.
Het hof wijst ook het pleidooiverzoek van appellant af, omdat het recht op pleidooi niet kan worden gebruikt om het ontbreken van een memorie van grieven te compenseren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van deze regel rechtvaardigen. Daarom verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en veroordeelt hem in de kosten van het geding.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het niet tijdig indienen van de memorie van grieven.