Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:7280

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
29 juli 2021
Zaaknummer
21-004649-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging taakstraf voor opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 juli 2021 het vonnis van de politierechter bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten. De rechtbank had een taakstraf van 60 uren opgelegd, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte stelde in hoger beroep dat het bewijs voor het subsidiair tenlastegelegde ontbrak, omdat hij de biljetten niet daadwerkelijk in omloop had gebracht maar slechts een poging daartoe had gedaan. Ook ontkende hij het opzet, stellende niet te weten dat de biljetten vals waren. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat het aanbieden van de biljetten in ruil voor muntjes al het economisch verkeer betrof en daarmee het uitgeven van valse biljetten.

Het hof baseerde zich op getuigenverklaringen en forensisch technisch onderzoek waaruit bleek dat de biljetten duidelijk vals waren vanwege slechte kwaliteit papier, ontbreken van watermerk en veiligheidsdraad. De handelingen van de caissière en teamleider met een echtheidscontroleapparaat werden als normale controle gezien en deden niet af aan de valsheid.

Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht tot veroordeling was gekomen en bevestigde het vonnis met een aanvulling op de motivering. De taakstraf van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, blijft van kracht.

Uitkomst: Het hof bevestigde de taakstraf van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, voor het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004649-19
Uitspraak d.d.: 22 juli 2021
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2019 met parketnummer 16-131462-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
ingeschreven op het adres [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis waarvan 20 uren te vervangen door 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. S.J. van Galen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 september 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde, te weten het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 20 uren te vervangen door 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis echter bevestigen met aanvulling van de gronden. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Door de raadsman is ter zitting aangevoerd dat evenals het ontbreken van bewijs voor het primair tenlastegelegde, waarvoor verdachte door de politierechter is vrijgesproken, ook het bewijs voor het subsidiair tenlastegelegde ontbreekt nu in de visie van de raadsman de bankbiljetten niet in omloop zijn gebracht maar dat er hooguit sprake is van een poging om de bankbiljetten uit te geven. Het opzet om valse biljetten uit te geven, ook in voorwaardelijke vorm, ontbreekt.
Verdachte wist niet dat de bankbiljetten vals waren. Door de caissière en de teamleider zijn de bankbiljetten diverse malen door een apparaat, waarmee biljetten op echtheid worden gecontroleerd, gehaald zodat naar het oordeel van de raadsman ook voor hen kennelijk niet meteen vaststond dat de biljetten vals waren.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.
Verdachte heeft deze bankbiljetten in het economisch verkeer gebracht reeds door het aanbieden van de bankbiljetten om in ruil hiervoor muntjes te verkrijgen. De feitelijke grondslag voor dit verweer ontbreekt daarom.
Uit de verklaring van getuige [getuige1] - onder meer inhoudende dat hij meteen aan het papier voelde dat het geld niet echt was - en het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek blijkt dat de valsheid van de bankbiljetten evident is.
Dit onderzoek meldt dat door de slechte kwaliteit van het substraat (papier) en het ontbreken van een watermerk en een veiligheidsdraad, het een bankbiljet betrof dat voor eenieder als vals herkend zou kunnen worden.
De omstandigheid dat het biljet door de caissière en teamleider door een daartoe bestemd apparaat is gehaald, maakt dit niet anders omdat dit hoort tot de normale handelingen die een caissière dan wel aan de kassa ten aanzien van dergelijke coupures pleegt/plegen te worden verricht, juist met het oog op de controle van de echtheid van bankbiljetten.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Bosch, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. A. Meester, raadsheren,
in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,
en op 22 juli 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.