Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2],
[geïntimeerde3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over een voorkeursrecht van koop op een stierenschuur gelegen op een perceel in [woonplaats1]. [geïntimeerden1 en 2] c.s. verkochten in 1992 een deel van het perceel aan [naam1], waarbij een voorkeursrecht voor de stierenschuur werd vastgelegd ten gunste van [naam1] en later [geïntimeerde3]. In 2017 verkocht [geïntimeerden1 en 2] c.s. het overige deel van het perceel aan [appellant], met een koopovereenkomst over de stierenschuur onder de ontbindende voorwaarde van het voorkeursrecht.
[geïntimeerde3] oefende haar voorkeursrecht uit na een taxatie en bevestigde akkoord te zijn met de marktwaarde van €50.000,-. Bodemonderzoek bevestigde de schone ondergrond. [appellant] legde conservatoir beslag op de schuur, waardoor levering werd belemmerd. De rechtbank wees de vorderingen van [appellant] af, omdat hij geen recht op levering had.
In hoger beroep werd het incidenteel vonnis gehandhaafd en oordeelde het hof dat [geïntimeerden1 en 2] c.s. gehouden en gerechtigd zijn tot levering aan [geïntimeerde3]. Het hof verwierp de bezwaren van [appellant] over de vaagheid van het voorkeursrecht en het ontbreken van een schriftelijke mededeling aan de notaris. Het beslag van [appellant] verhinderde de levering, maar hij kon hieraan geen rechten ontlenen. Het hof bekrachtigde de vonnissen en veroordeelde [appellant] in de kosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat [geïntimeerden1 en 2] c.s. gehouden en gerechtigd zijn tot levering van de stierenschuur aan [geïntimeerde3], en wijst de vorderingen van [appellant] af.