De zaak betreft een geschil over de zorg- en omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige zoon, die onder toezicht staat vanwege problematiek waaronder een reactieve hechtingsstoornis. De rechtbank had een beperkte, begeleide omgang van drie uur per week vastgesteld.
De vader was het hier niet mee eens en vorderde in hoger beroep herstel van de oude regeling waarbij de zoon ieder weekend onbegeleid bij hem verbleef. De gecertificeerde instelling en de moeder voerden verweer en stelden dat de huidige regeling het beste was voor het welzijn van het kind.
Het hof oordeelde dat onvoldoende was gebleken dat de zorgen bij het kind veroorzaakt werden door het contact met de vader. Gezien de therapie die het kind volgt en zijn behoefte aan rust achtte het hof een geleidelijke opbouw van onbegeleid contact passend. Het hof vernietigde de beschikking voor zover het de zorgregeling betrof en stelde een regeling vast met onbegeleid contact op woensdagmiddag vanaf 7 juli 2021, uitbreiding naar zaterdag vanaf 4 september 2021 en vervolgens om de veertien dagen een heel weekend vanaf 4 december 2021.
De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd vanwege de onderlinge relatie van partijen en het belang van het kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.