De betrokkene werd door de officier van justitie gesanctioneerd met een boete van €240 wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 24 juli 2019 op de Griffeweg in Groningen. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De betrokkene ontkende stellig de gedraging en stelde dat zij linksaf was geslagen in plaats van rechtdoor te rijden. Deze verklaring werd ondersteund door getuigen, waaronder haar echtgenoot en stiefdochter. De ambtenaar die de overtreding vaststelde, baseerde zich op een proces-verbaal waarin een vergissing in de pleegdatum en mogelijk in de vaststelling van de rijstrook werd erkend.
Het hof oordeelde dat gezien de consistente en vasthoudende ontkenning van de betrokkene, ondersteund door getuigen, er gerede twijfel bestaat over het feit dat de gedraging is verricht. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de betrokkene door rood heeft gereden. De sanctiebeschikking werd daarom vernietigd en de proceskosten werden aan de betrokkene toegekend.