Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:582

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 januari 2021
Publicatiedatum
22 januari 2021
Zaaknummer
21-004033-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel met gijzeling

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van betrokkene behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juli 2019. De rechtbank had de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van €11.700,- en een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, maar geconstateerd dat de subsidiair op te leggen gijzeling niet in het dictum was vermeld. Op grond van de gewijzigde wetgeving (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 468 dagen, gebaseerd op de hoogte van het bedrag.

Tijdens de terechtzitting van 7 januari 2021 heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de verweren van betrokkene en zijn raadsman. Het arrest is op 21 januari 2021 uitgesproken. De verdachte was niet aanwezig bij de zitting. Mr. M.S. Groenhuijsen kon het arrest niet medeondertekenen vanwege afwezigheid.

Uitkomst: Bevestiging ontneming van €11.700,- met maximale gijzeling van 468 dagen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004033-19
Uitspraak d.d.: 21 januari 2021
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 juli 2019 met parketnummer 16-042970-19 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman,
mr. A.W. van Rijn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 16 juli 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is dat voordeel, alsmede de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op een bedrag van € 11.700,-.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist, maar heeft geconstateerd dat de rechtbank de subsidiair op te leggen gijzeling (voorheen: vervangende hechtenis) niet in het dictum heeft vermeld. Het hof zal de beslissing dan ook met overneming van gronden en met aanvulling van de ontbrekende gijzeling bevestigen.
Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
Artikel 36e, lid 11 Sr is gewijzigd bij de op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82 (Wet USB)). Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling wordt voor elke volle 25 euro van het opgelegde bedrag maximaal één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaren.
Het voorgaande brengt mee dat het hof, gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd bepaalt op ten hoogste 468 dagen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigtde beslissing waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Bepaaltde duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 468 dagen.
Aldus gewezen door
mr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,
mr. W.M. Weerkamp en mr. M.S. Groenhuijsen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.G. Nijenhuis, griffier,
en op 21 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.S. Groenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 21 januari 2021.
Tegenwoordig:
mr. R.H. Koning, voorzitter,
mr. J. van Onna, advocaat-generaal,
mr. Y.M.G. Nijenhuis, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.