Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vader.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder, geboren in 2003 en minderjarig, heeft een kind gekregen in 2021. Zij heeft niet van rechtswege het ouderlijk gezag over haar kind, waarvoor de gecertificeerde instelling (GI) als voogd is benoemd. De moeder verzocht om meerderjarigverklaring om het gezag te kunnen uitoefenen, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep bevestigde het hof deze afwijzing. Uit onderzoek van de raad voor de kinderbescherming blijkt dat de moeder een belast verleden heeft met ontwikkelingsachterstanden en chronische traumatisering, wat haar opvoedingsvaardigheden kan belemmeren. Hoewel zij en de vader zich recent positiever opstellen en in een ouder-kindhuis wonen, is het zicht op hun opvoedingsvaardigheden nog te beperkt.
Het hof benadrukt dat het gezag in principe bij de ouders hoort te liggen en dat de GI de opdracht heeft om de opvoedingsvaardigheden te beoordelen en waar mogelijk de periode van voogdij te beperken. De moeder is procesonbekwaam, maar op grond van artikel 1:253ha BW bevoegd om in hoger beroep te gaan. Het verzoek wordt desalniettemin afgewezen omdat het belang van het kind nog niet voldoende is gewaarborgd.
Uitkomst: Het verzoek tot meerderjarigverklaring van de moeder wordt afgewezen en de voogdij blijft bij de gecertificeerde instelling.