Uitspraak
[klager] ,
klager,
advocate te Groningen,
[beklaagde] ,
beklaagde.
17 januari 2019 betreft, waarbij hij zijn zus op tragische wijze heeft verloren. Juridische procedures kunnen in geen enkel opzicht iets afdoen aan dit gemis. Niettemin is het de taak van het hof de klacht conform de wettelijke procedure te beoordelen, in de eerste plaats voor wat betreft de ontvankelijkheid daarvan. In dat kader ziet het hof zich gesteld voor de vraag of sprake is van een situatie van het niet-vervolgen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).
NJ1996, 714, m. nt. Schalken) op een vordering tot cassatie in het belang der wet overwogen dat de rechterlijke controle van een vervolgingsbeslissing zich niet beperkt tot de vraag of het openbaar ministerie voornemens is een vervolging in te stellen of te doen voortduren, maar dat het hof ook heeft te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld. De Hoge Raad verwijst in dat verband naar de parlementaire geschiedenis, waarin de wetgever er blijk van geeft met de klachtprocedure een volle beleidstoetsing te hebben beoogd.
NJ1979, 292), waarin is geoordeeld dat de beklagprocedure geen betrekking kan hebben op zaken waarin het openbaar ministerie een vervolging heeft ingesteld terwijl daarop nog niet onherroepelijk is beslist.
L.G. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga als griffier.