Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep in beide zaken,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Na het overlijden van de moeder van de minderjarige is zij onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling en bij haar stiefvader geplaatst. De vader ging tegen deze maatregelen in hoger beroep met 49 grieven, waarin hij onder meer formele bezwaren en twijfels over de bevoegdheid van de raad voor de kinderbescherming aanvoerde.
Het hof oordeelde dat de stiefvader als belanghebbende moet worden aangemerkt vanwege zijn langdurige verzorgende rol en het feit dat hij als voogd is aangewezen. De formele bezwaren van de vader, zoals over ondertekening van stukken en bevoegdheden, werden verworpen. Het hof stelde vast dat de belangen van de minderjarige voorop staan en dat de vader de situatie mede door zijn houding heeft doen escaleren.
De minderjarige ervaart ernstige bedreigingen in haar ontwikkeling door de ingrijpende gebeurtenissen rondom het overlijden van haar moeder en de conflicten tussen vader en stiefvader. Het hof achtte de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk, proportioneel en in het belang van de minderjarige. De verzoeken van de vader werden afgewezen en de bestreden beschikkingen bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige bij haar stiefvader en wijst het hoger beroep van de vader af.