Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van grote hoeveelheden drugs en voorbereidingshandelingen voor productie van drugs. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen van voorbereidingshandelingen, maar vond onvoldoende bewijs voor medeplegen van de productie zelf.
De verdediging stelde dat alleen voorbereidingshandelingen bewezen konden worden, terwijl het openbaar ministerie meende dat medeplegen van productie bewezen was vanwege nauwe samenwerking met anderen en belastend bewijs zoals tapgesprekken en verklaringen. Het hof volgde de rechtbank en de verdediging, wijzend op het ontbreken van een productielocatie en onduidelijkheid over de productietijd.
Bij de strafoplegging wijzigde het hof de straf ten opzichte van de rechtbank. Gezien persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder huisuitzetting en het ontbreken van recidive, en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, legde het hof een gevangenisstraf van 24 maanden op waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen een deel van de vrijspraak.