ECLI:NL:GHARL:2021:4908

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 mei 2021
Publicatiedatum
21 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.262.183/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 14 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens appelverbod bij administratieve verkeersboetes

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een administratieve sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep gegrond verklaard tegen de beslissing van de officier van justitie, maar het hoger beroep werd door het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard vanwege het appelverbod.

De sanctie bedroeg €47,-, terwijl de wettelijke drempel voor hoger beroep €70,- is. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat er geen oproeping voor de zitting was ontvangen, maar het hof vond op basis van e-mailcorrespondentie en een aangetekende brief aannemelijk dat de oproeping wel was verzonden en ontvangen.

Het hof oordeelde dat het appelverbod niet buiten toepassing kon worden gelaten en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Hiermee bevestigde het hof de wettelijke grenzen aan het instellen van hoger beroep bij administratieve verkeersboetes.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het appelverbod en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.262.183/01
CJIB-nummer
: 219731923
Uitspraak d.d.
: 21 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 7 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Voor zover hier van belang kan ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wahv tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan
€ 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 47,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2. De gemachtigde stelt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten en dat het hoger beroep ontvankelijk moet worden geacht. Hij voert daartoe aan dat de betrokkene noch de gemachtigde is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling bij de kantonrechter en wijst op het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank. In reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal voert de gemachtigde aan noch per brief noch per e-mailbericht een oproeping te hebben ontvangen. Indien de advocaat-generaal aantoont dat de gemachtigde de e-mail heeft ontvangen, is de gemachtigde bereid het hoger beroep in te trekken.
3. De advocaat-generaal concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. De uitnodiging voor de zitting op 24 mei 2019 is op 19 april 2019 per post en per
e-mail aan het door de gemachtigde vermelde e-mailadres verzonden.
4. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank van 19 april 2019 waarin de gemachtigde wordt uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op 24 mei 2019. Op die brief is met de hand geschreven “aangetekend.” Verder bevat het dossier een afdruk van een e-mailwisseling tussen “Nick Voorbach [mailto: n.voorbach@verkeersboete.nl]” en “Mulder Straf Utrecht (Rechtbank Midden-Nederland).” In een op 19 april 2019 om 10:33 uur aan de rechtbank verzonden bericht, heeft de gemachtigde meegedeeld dat hij op 6 mei 2019 verhinderd is, geeft hij zijn verhinderdata op en verzoekt om “een korte ovb van uitstel.” De griffier heeft vervolgens op 19 april om 13:18 uur een bericht verzonden aan ‘Nick Voorbach’, met het “Onderwerp: “aangehouden zaken van de mondelinge behandeling van 6 mei 2019 en oproepbrieven (15 zaken) voor de mondelingen behandeling van vrijdag 24 mei 2019.” Onder het kopje Bijlagen is vermeld: ”Gescand vanaf een WorkCentre 7855.pdf.” Het bericht luidt: “Zie bijgevoegde brieven. De vijf aangehouden zaken zijn geplaatst op de mondelinge behandeling van 24 mei 2019 (…).” Dit bericht is verzonden naar het door de gemachtigde vermelde e-mailadres en derhalve naar het juiste e-mailadres.
5. Het hof acht op grond van het voorgaande aannemelijk dat de griffier van de rechtbank de oproeping van 19 april 2019 voor de zitting van de kantonechter op 24 mei 2019 per e-mail aan de gemachtigde heeft verzonden. Het is vervolgens aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de uitnodiging voor de zitting langs die weg is ontvangen.
6. De gemachtigde van de betrokkene heeft ontkend de per e-mail verzonden oproeping te hebben ontvangen. Dat is onvoldoende om de ontvangst te weerleggen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de gemachtigde de door de griffier van de rechtbank op 19 april 2019 per e-mail verzonden oproeping heeft ontvangen. Van schending van artikel 12, eerste lid, van de Wahv is geen sprake.
7. Nu er gelet op het voorgaande geen aanleiding bestaat om het appelverbod buiten toepassing te laten, zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.