ECLI:NL:GHARL:2021:4589

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 mei 2021
Publicatiedatum
11 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.264.127/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5:20 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiele telefoon tijdens het rijden

De betrokkene kreeg een boete van €230 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 1 mei 2018 in Leende. De betrokkene betwistte de gedraging en stelde dat het tonen van zijn telefoon aan de toezichthouder in strijd was met het nemo-tenetur-beginsel, omdat hij daarmee bewijs tegen zichzelf leverde.

Het gerechtshof oordeelde dat de ambtenaar bevoegd was om de telefoon te vorderen en dat de betrokkene vrijwillig aan dit verzoek had voldaan. De verklaring van de ambtenaar dat hij de telefoon vroeg om het merk/type vast te stellen werd als betrouwbaar beschouwd. De enkele ontkenning van de betrokkene was onvoldoende om de vastgestelde gedraging te betwijfelen.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het tonen van de telefoon werd niet als een schending van het nemo-tenetur-beginsel gezien, mede vanwege de wettelijke bevoegdheden van de toezichthouder en de medewerkingsplicht van de betrokkene.

Uitkomst: Boete van €230 voor vasthouden mobiele telefoon tijdens het rijden wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.264.127/01
CJIB-nummer
: 216457678
Uitspraak d.d.
: 11 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 28 maart 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op
1 mei 2018 om 07:50 uur op de Valkenswaarderweg in Leende met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging betwist. De gemachtigde voert aan dat de ambtenaar bij staandehouding de mobiele telefoon van de betrokkene heeft gevorderd. Op grond van het Wetboek van Strafrecht is de betrokkene gehouden gehoor te geven aan een vordering van de ambtenaar. Op deze wijze is de ambtenaar op de hoogte geraakt van het merk/type mobiele telefoon van de betrokkene. De resultaten van de vordering worden tegen de betrokkene gebruikt, hetgeen in strijd is met het nemo-tenetur beginsel. Door de gang van zaken heeft de betrokkene bewijs tegen zich zelf moeten leveren. De betrokkene is hierdoor in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Gelet hierop stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof. Betrof een iPhone grijs van kleur.
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Ik zat niet op mijn telefoon.”
4. Het dossier bevat verder een door de advocaat-generaal ingebracht aanvullend proces-verbaal van 23 oktober 2019, waarin de betrokken ambtenaar onder meer als volgt verklaart:
“Deze staandehouding is dusdanig lang geleden dat ik hier geen herinneringen meer aan heb. Echter wanneer ik staandehoudingen verricht ter zake het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat wanneer een voertuig wordt bestuurd, vraag ik nagenoeg altijd om het mobiele apparaat te laten zien wat de betrokkene vast had. Ik ben op dat moment werkzaam als toezichthouder in het verkeer en mag derhalve, volgens de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, gegevens dan wel inlichtingen vorderen. Ik doe een dergelijke vordering om uitsluitsel te geven dat het daadwerkelijk om een mobiel elektronisch apparaat gaat en hier op latere termijn geen misverstanden over kunnen ontstaan.”
5. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen.
6. Van strijd met het beginsel van nemo tenetur is geen sprake. Het is het hof ambtshalve bekend dat de ambtenaar in dergelijke zaken na de waarneming dat tijdens het rijden een mobiele telefoon (of een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp) wordt vastgehouden, na staandehouding het merk van de mobiele telefoon noteert. Dit volgt ook uit het aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar in de onderhavige zaak, waaruit blijkt dat de ambtenaar conform de gebruikelijke werkwijze in dergelijke zaken aan de betrokkene vraagt om zijn mobiele telefoon te laten zien. Geen rechtsregel staat hieraan in de weg. Daarbij is niet gebleken dat de betrokkene niet vrijwillig aan het verzoek om de telefoon te tonen heeft voldaan. Het hof merkt hierbij op dat aan de ambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wahv juncto Titel 5 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegdheden toekomen, waaraan een ieder op grond van artikel 5:20 van Pro die wet verplicht is alle medewerking te verlenen.
7. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.