Uitspraak
[appellante],
Stuyt-Onbelet,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak ging het om een geschil tussen een huurder van een caravanstandplaats en de campinghouder over het ophalen en verwijderen van een caravan en de bijbehorende inboedel na beëindiging van de huurovereenkomst in oktober 2016.
De huurder had de caravan niet tijdig verwijderd ondanks een door de kantonrechter gestelde uiterste datum van 15 mei 2020. De campinghouder verwijderde daarop de restanten van de caravan met hulp van campinggasten en vorderde vergoeding van de opruimkosten.
Het hof oordeelde dat de huurder geen belang meer had bij het vervallen van de termijn van 15 mei 2020 omdat de caravanrestanten al waren afgevoerd. De vordering tot vergoeding van opruimkosten door de campinghouder werd deels toegewezen, waarbij het hof de kosten schatte op €750, omdat bewijsstukken ontbraken voor het hogere bedrag.
Het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd voor zover het de huurder toestond de caravan te verwijderen, en vernietigd voor zover het opruimkosten betrof, met een nieuwe veroordeling van de huurder tot betaling van €750 plus wettelijke rente. De kosten van het principaal hoger beroep werden aan de huurder opgelegd, terwijl de kosten van het incidenteel hoger beroep door partijen zelf werden gedragen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot verwijdering van de caravan en veroordeelt de huurder tot betaling van €750 opruimkosten aan de campinghouder.