Verdachte werd op 21 februari 2019 in verzekering gesteld wegens betrokkenheid bij medeplegen van een inbraak en sindsdien in voorlopige hechtenis gehouden. Op 18 juni 2019 veroordeelde de rechtbank hem tot een ISD-maatregel van twee jaar, zonder aftrek van het voorarrest. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld.
Door diverse vertragingen, waaronder de Covid-19-pandemie en wisselingen van raadsman, heeft de procedure aanzienlijke vertraging opgelopen. Het verhoor van een anonieme getuige, essentieel voor de zaak, stond nog gepland. Inmiddels verbleef verdachte bijna 27 maanden in voorlopige hechtenis, terwijl de maximale duur van de ISD-maatregel slechts twee jaar bedraagt.
Het hof oordeelde dat het bevel tot voorlopige hechtenis daarom op grond van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, moest worden opgeheven. Dit betekent niet dat vooruit wordt gelopen op de uiteindelijke strafoplegging. De verdenking en bezwaren tegen verdachte blijven bestaan, maar de duur van de voorlopige hechtenis is disproportioneel geworden.