Uitspraak
[verdachte] ,
Het hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het vonnis waarvan beroep
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 27 april 2020 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor bedreiging van een politieambtenaar door in diens richting te hoesten en daarbij de woorden 'Haha, Corona' te roepen. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en sprak verdachte vrij vanwege onvoldoende bewijs van opzet.
De feiten speelden zich af op een smalle galerij waar verdachte, geboeid en zichtbaar ziek, werd aangehouden. Verschillende verbalisanten hoorden verdachte hoesten en de uitlating doen. Verdachte ontkende echter opzettelijk in de richting van de politieambtenaar te hebben gehoest.
Het hof overwoog dat het hoesten ook voorafgaand aan de aanwezigheid van de politieambtenaar plaatsvond en dat het vanwege de boeien onmogelijk was om in de elleboog te hoesten. De korte afstand op de galerij maakte het hoesten onbedoeld richting de politie. De woorden 'Haha, Corona' waren onvoldoende om opzet tot bedreiging of belediging aan te nemen.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de gedragingen niet bewezen waren. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van mishandeling en deed verder opnieuw recht door verdachte vrij te spreken van bedreiging en belediging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet tot bedreiging en belediging.