Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- te bepalen dat de vrouw geen dienstbetrekking heeft gehad en geen salaris heeft genoten uit de ondernemingen van de man;
- te bepalen dat de vrouw geen recht heeft op de huurinkomsten van de [adres2] te [woonplaats1] en de schuur aan de [adres1] te [woonplaats1] ;
- indien het hof zal bepalen dat er dient te worden afgerekend alsof er tussen partijen sprake is van een gemeenschap van goederen, dan wel dat er een vergoedingsrecht zoals door de vrouw is verzocht wordt vastgesteld, het hof in dat geval de door de rechtbank vastgestelde vergoedingsrechten van de vrouw alsnog zal afwijzen en tevens zal bepalen dat de schuld op rekeningnummer [nummer1] een gezamenlijke schuld van partijen is.
5.De motivering van de beslissing
f63.094,- bruto is toegekend, uit de jaarloonopgaaf 2008 van [naam1] BV een salaris van € 47.520,- bruto en uit de collectieve aangifte loonbelasting van juni 2010 van [naam2] BV een salaris van € 8.140,- bruto (productie 37 bij journaalbericht van 5 november 2020).
6.De beslissing
beidepartijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op donderdag 20 mei 2021, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;