ECLI:NL:GHARL:2021:4077

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2021
Publicatiedatum
28 april 2021
Zaaknummer
21-002371-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 63 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden met ongeldig verklaard rijbewijs tot gevangenisstraf van twee weken

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs categorie B ongeldig was verklaard. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis. Het hof verklaarde het hoger beroep deels niet-ontvankelijk en vernietigde het vonnis voor zover het aan het hof onderworpen was, waarna het zelf opnieuw recht deed.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 23 mei 2017 een motorrijtuig bestuurde terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hem geen nieuw rijbewijs was afgegeven. Verdachte werd vrijgesproken van andere tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van drie weken, de verdediging pleitte voor een taakstraf. Gezien de ernst van het feit, de recidive van verdachte en het beleid van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren, legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op, conform het vonnis van de politierechter.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens het besturen van een motorrijtuig met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002371-19
Uitspraak d.d.: 28 april 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 april 2019 met parketnummer 96-094815-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld ter zake van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf van twee weken.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 23 mei 2017 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [adres] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 23 mei 2017 te [plaats] terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [adres] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van het tenlastegelegde feit tot een gevangenisstraf van drie weken.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een taakstraf is naar de mening van de raadsman een passende sanctie.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs categorie B ongeldig was verklaard. Hij heeft daarmee een jegens hem genomen maatregel genegeerd, terwijl deze maatregel in het leven is geroepen om de verkeersveiligheid te beschermen.
Als uitgangspunt van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) geldt voor het geval als het onderhavige (besturen van een motorrijtuig in geval van een ongeldig verklaard rijbewijs) een gevangenisstraf van twee weken onvoorwaardelijk.
Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 maart 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor zowel gelijksoortige als andere strafbare feiten van diverse aard.
Het hof acht een taakstraf niet meer aan de orde, gelet op de aard en ernst van het feit en de aanhoudende recidive van verdachte.
Gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden, zoals de politierechter dat heeft opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Aldus gewezen door
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,
en op 28 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.