Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure in hoger beroep stond de vraag centraal of de vrouw samenwoonde met een ander als waren zij gehuwd, waardoor de alimentatieverplichting van de man jegens haar zou eindigen. Het hof verwees naar het vermoeden van samenwoning als gehuwd op grond van artikel 1:160 BW Pro en de toelating van tegenbewijs door de vrouw.
De vrouw bracht getuigenverklaringen en stukken in, waaronder een verklaring van haar partner, maar het hof oordeelde dat zij niet slaagde in het ontzenuwen van het vermoeden. Het hof stelde vast dat de affectieve relatie tussen de vrouw en haar partner in mei 2017 begon en vanaf 28 mei 2018 duurzaam was. Observaties van een recherchebureau toonden feitelijk samenwonen, gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging aan, waaronder het zelfstandig toegang hebben tot de woning en financiële verwevenheid.
Het hof concludeerde dat de alimentatieverplichting van de man per 29 mei 2018 is geëindigd en dat de vrouw de vanaf die datum betaalde partneralimentatie onverschuldigd heeft ontvangen en dient terug te betalen. Tevens veroordeelde het hof de vrouw tot vergoeding van de redelijke kosten van het rechercheonderzoek, inclusief wettelijke rente vanaf 6 oktober 2018. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De alimentatieverplichting eindigt per 29 mei 2018; vrouw moet onverschuldigde partneralimentatie en onderzoekskosten terugbetalen.