In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 april 2021 uitspraak gedaan in hoger beroep over de partneralimentatie na ontbinding van het huwelijk op 10 september 2020.
De vrouw vorderde verhoging van de partneralimentatie naar €800,- per maand, terwijl de man verweer voerde en incidenteel hoger beroep instelde met negen grieven, waaronder betwisting van de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man. De procedure omvatte meerdere schriftelijke stukken en twee mondelinge behandelingen, waarvan één fysiek.
Het hof heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op €1.429,- netto per maand op basis van de hofnorm, rekening houdend met het netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk en de kosten van de kinderen. De vrouw is deels arbeidsongeschikt en kan volgens het hof redelijkerwijs 16 uur per week werken, wat een bruto jaarinkomen van circa €11.310,- oplevert. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt daardoor €556,- netto.
De draagkracht van de man is vastgesteld op een bruto jaarinkomen van circa €56.098,-, waarbij zijn bewering van inkomensdaling onvoldoende is onderbouwd. Na aftrek van kosten voor de kinderen en woonlasten resteert een draagkracht van €689,- bruto per maand voor partneralimentatie. Het hof wijst het verzoek tot nihilstelling van de alimentatie af, gelet op de medische situatie van de vrouw en het ontbreken van voldoende zekerheid dat zij binnen twee jaar volledig zelf kan voorzien.
Uiteindelijk vernietigt het hof de bestreden beschikking en bepaalt dat de man partneralimentatie betaalt van €689,- per maand vanaf echtscheiding, oplopend naar €710,- per 1 januari 2021, met jaarlijkse indexering uitgesloten.