Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder, afkomstig uit Eritrea, oefent het ouderlijk gezag uit over twee minderjarige kinderen die sinds 2019 onder toezicht staan en uit huis zijn geplaatst. De kinderrechter had op 17 juni 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 19 juni 2021. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal onterecht een rol speelde bij de beslissing, en dat dit in strijd zou zijn met de artikelen 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO).
Het hof stelde vast dat de gecertificeerde instelling (GI) alle mogelijke inspanningen had geleverd om de taalbarrière te overbruggen, onder meer door inzet van tolken, culturele bemiddeling en diverse hulpverleningsinitiatieven, waaronder gespecialiseerde begeleiding en een stappenplan voor terugplaatsing. De moeder had geen alternatieve hulpverleningsmogelijkheden aangedragen die nog niet waren onderzocht. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van schending van de BUPO-artikelen en dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk en proportioneel was in het belang van de kinderen.
Daarbij werd ook overwogen dat de GI voornemens was een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel te laten uitvoeren. De machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot vernietiging of verkorting van de machtiging werd afgewezen.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd en het verzoek tot vernietiging of verkorting afgewezen.