Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling van het hoger beroep
€ 332
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over de vraag of de werknemer recht heeft op niet betaalde overuren, extra vakantiegeld en niet uitbetaalde vakantie-uren over het jaar 2015.
De kantonrechter had vastgesteld dat de werknemer meer uren had gewerkt dan waarvoor hij was betaald en had hem een bedrag aan achterstallig salaris en nevenvorderingen toegekend. In hoger beroep heeft de werkgever extra getuigenverklaringen overgelegd die het hof heeft gewogen tegen de eerdere verklaringen.
Het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de werknemer meer dan 26 uur per week heeft gewerkt, mede omdat getuigen verklaren dat de werknemer meestal rond 21.00 uur stopte met werken, terwijl de werknemer zelf stelde tot 23.00 uur te hebben gewerkt. De verklaringen van buren over het thuiskomen rond 23.00 uur zijn onvoldoende om een langere werkdag te bewijzen.
Daarom wijst het hof de vorderingen af en veroordeelt het de werknemer in de kosten van beide instanties. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.
Uitkomst: De vorderingen van de werknemer tot betaling van niet betaalde overuren en nevenvorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs.