ECLI:NL:GHARL:2021:333

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2021
Publicatiedatum
14 januari 2021
Zaaknummer
200.250.583 WAHV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbArt. 11 Besluit voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens verlopen keuringsbewijs motorvoertuig

De betrokkene kreeg een sanctie van €130 opgelegd wegens het rijden met een motorvoertuig waarvan het keuringsbewijs was verlopen. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de officier van justitie zijn informatieplicht had geschonden door het ontbreken van de RDW-bevraging in het dossier, terwijl deze bevraging wel was gebruikt bij de vaststelling van de overtreding. Het hof oordeelde dat de RDW-bevraging een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat in het dossier moet zijn opgenomen en op verzoek verstrekt moet worden.

Omdat de RDW-bevraging ontbrak in het dossier, vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie. De inhoudelijke gedraging werd niet betwist en het hof stelde vast dat de betrokkene met het voertuig op de openbare weg reed nadat het keuringsbewijs was verlopen, zonder dat de uitzondering van maximaal twee maanden na het verlopen van het keuringsbewijs van toepassing was.

Het hof verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter en officier van justitie worden vernietigd wegens onvolledig dossier, maar het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.583/01
CJIB-nummer
: 213467177
Uitspraak d.d.
: 14 januari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 24 september 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 130,- voor: “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 december 2017 om 00:29 uur op de Graadt van Roggenweg in Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene meent dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen, omdat de officier van justitie zijn informatieplicht ex artikel 7:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de ambtenaar een RDW-bevraging heeft gedaan, maar deze bevindt zich niet in het dossier. Ten aanzien van de gedraging beroept de gemachtigde zich op artikel 11, tweede lid, van het Besluit voertuigen (hierna: Bv).
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: bij het raadplegen van het RDW-register bleek mij dat het voor dit voertuig afgegeven keuringsbewijs zijn geldigheid had verloren. (…)
Het voertuig diende gekeurd te zijn op: 21-11-2017. (…)
Soort weg: een weg, zijnde voor het openbaar verkeer openstaande weg. (…)
Reden staandehouding: mede ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen stelde ik nader onderzoek in. (…)
Verklaring betrokkene: ik wist het wel, maar er is al een afspraak. Het is niet mijn auto.”
4. Artikel 7:18, vierde lid, van de Awb voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij de officier van justitie. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om de opgelegde sanctie op basis daarvan te betwisten. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat daaronder in Wahv-zaken moet worden begrepen het zaakoverzicht en –indien aanwezig– een foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, ECLI:NL:GHARL: 2015:7246). Het betreft de stukken waarin de voor de sanctieoplegging relevante gegevens (moeten) zijn vermeld respectievelijk die de ambtenaar voor de oplegging van de sanctie heeft gebruikt. Over deze gegevens moet de officier van justitie, bij de beslissing op het administratief beroep, (kunnen) beschikken, onafhankelijk van hetgeen in administratief beroep is aangevoerd. Deze stukken behoren daarom deel uit te maken van het dossier en moeten desgevraagd aan de betrokkene worden verstrekt door de officier van justitie.
5. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep heeft verzocht om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De RDW-bevraging is in het onderhavige geval een op de zaak betrekking hebbend stuk. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de ambtenaar het stuk heeft gebruikt voor het vaststellen van de gedraging. De RDW-bevraging is niet in administratief beroep aan de gemachtigde toegezonden, niet in het dossier gevoegd dat de officier van justitie heeft gebruikt bij het beslissen op het administratief beroep en evenmin gevoegd in het dossier dat de kantonrechter heeft gebruikt bij de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Het hof zal om die reden de beslissing van de kantonrechter en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen.
6. Het verweer van de gemachtigde ten aanzien van de gedraging treft geen doel en het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt vast dat de gedraging niet is betwist. Op grond van artikel 11, tweede lid, van het Bv is het toegestaan om een voertuig tot maximaal twee maanden na het verstrijken van de geldigheid van het keuringsbewijs op de weg te laten
staan[cursivering hof], zonder dat een sanctie wordt opgelegd. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de ambtenaar de betrokkene op de openbare weg heeft staandegehouden. Het hof leidt hieruit af, nu dit in zoverre ook niet is betwist, dat de betrokkene op het tijdstip van de gedraging met het voertuig op de openbare weg reed. Derhalve is niet voldaan aan de uitzondering in het tweede lid van artikel 11 van Pro het Bv.
7. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.