Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:3239

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
6 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.252.376/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende onderbouwing staandehouding bij verkeersovertreding

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het niet volgen van de richting van een voorsorteerstrook op een kruispunt. De ambtenaar had de bestuurder niet staande gehouden omdat hij onderweg was naar een andere melding. Volgens artikel 5 van Pro de Wahv moet een ambtenaar de bestuurder staande houden om diens identiteit vast te stellen, tenzij er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding.

De verdediging stelde dat enkel het feit dat de ambtenaar onderweg was naar een andere melding onvoldoende is om te concluderen dat staandehouding niet mogelijk was. Het hof oordeelde dat de aard en spoedeisendheid van die melding bepalend zijn, maar dat hierover geen informatie is verstrekt. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

Het hof vernietigde daarom de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan de betrokkene. Het hof wees erop dat de ambtenaar in het proces-verbaal niet inhoudelijk op het verweer over de staandehouding is ingegaan, en dat het niet passend is om nu nog nadere informatie te vragen.

Uitkomst: De sanctiebeschikking is vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing dat staandehouding niet mogelijk was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.376/01
CJIB-nummer
: 210323848
Uitspraak d.d.
: 6 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 augustus 2017 om 15:19 uur op de Pleinweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. De gemachtigde voert onder meer aan dat de ambtenaar de bestuurder staande had moeten houden. De ambtenaar heeft aangegeven dat hij geen staandehouding heeft verricht, omdat hij op weg was naar een andere melding. Hieruit blijkt niet dat de ambtenaar niet in de gelegenheid is geweest om de bestuurder staande te houden, enkel dat hij hieraan geen prioriteit gaf. Dit is echter geen legitieme reden om de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens in het zaakoverzicht houden - voor zover relevant - in dat de ambtenaar heeft gezien dat met het voertuig van de betrokkene niet de richting is gevolgd die de voorsorteerstrook aangaf en dat er geen staandehouding is verricht, omdat de ambtenaar onderweg was naar een andere melding en daardoor niet in de gelegenheid was een stopteken te geven.
5. De omstandigheid dat de ambtenaar onderweg was naar een andere melding houdt naar het oordeel van het hof niet noodzakelijkerwijs in dat er geen staandehouding kon worden verricht. Er kunnen meldingen zijn die zo spoedeisend zijn dat van een ambtenaar niet kan worden gevergd dat hij onderweg naar die melding stopt om een staandehouding te verrichten voor een gedraging als de onderhavige. Er kunnen echter ook meldingen zijn waarvoor dat niet geldt. Van de ambtenaar mag daarom worden verwacht dat hij de aard van de melding in zijn toelichting noemt.
6. Het verweer omtrent de staandehouding is reeds in administratief beroep gevoerd. De officier van justitie heeft de ambtenaar verzocht om een inhoudelijk commentaar te geven op het verweer van de betrokkene. In een proces-verbaal is de ambtenaar ingegaan op verschillende verweren van de betrokkene. Op het verweer omtrent de staandehouding is hij echter niet nader ingegaan. Het hof acht het niet geraden om hierover nu nogmaals nadere informatie op te (doen) vragen bij de ambtenaar.
7. Nu op grond van de stukken niet blijkt dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan, moet het ervoor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv door de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder op te leggen. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 934,50 (3,5 x € 534,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 934,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.