Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die bij haar vader is geplaatst. De moeder is het niet eens met de verlenging van twaalf maanden en verzoekt het hof deze te beperken tot zes maanden of af te wijzen. De gecertificeerde instelling en de vader verzetten zich hiertegen.
De minderjarige is sinds april 2019 bij haar vader geplaatst na een eerdere machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter heeft de machtiging meerdere malen verlengd, laatstelijk tot juni 2021. De moeder betwist de noodzaak van verlenging, terwijl het hof het oordeel van de kinderrechter onderschrijft en de gronden overneemt.
Het hof stelt vast dat de uithuisplaatsing niet alleen is ingegeven door een incident met een halfzusje, maar door langdurige zorgen over de ontwikkeling en thuissituatie van de minderjarige bij de moeder. Rapporten tonen achterstanden en onderstimulatie bij het kind. De situatie bij de vader is stabiel en bevordert de ontwikkeling van het kind. De communicatie tussen ouders is goed en er is sprake van begeleid en binnenkort onbegeleid contact tussen moeder en kind.
Het hof oordeelt dat de moeder onvoldoende heeft aangetoond dat haar thuissituatie zodanig verbeterd is dat terugplaatsing verantwoord is. De zorgen over haar opvoedingsvaardigheden blijven bestaan, mede door gebrek aan inzicht in haar behandeling en persoonlijkheidsonderzoek. Het belang van de minderjarige vraagt om voortzetting van de uithuisplaatsing bij de vader. Daarom wordt de verlenging van de machtiging bevestigd.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij haar vader wordt bevestigd tot 11 juni 2021.