ECLI:NL:GHARL:2021:2031
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- M.H.H.A. Moes
- R. Prakke-Nieuwenhuizen
- M.L. van de Bel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging interne draagplicht schuld ex-samenlevers bij hoofdelijke aansprakelijkheid krediet
In deze civiele zaak vordert appellante dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank vernietigt en vaststelt dat zij maximaal € 8.876,83 van een gezamenlijke kredietschuld van € 35.000,- draagt, en dat geïntimeerde de restschuld draagt en haar ontslaat uit hoofdelijke aansprakelijkheid. De kredietovereenkomst werd gezamenlijk aangegaan zonder samenlevingsovereenkomst, en de schuld is deels gebruikt voor de aflossing van een restschuld hypotheek en deels voor andere doeleinden.
Appellante stelt dat geïntimeerde ongerechtvaardigd is verrijkt door het krediet voor eigen schulden te gebruiken en dat zij meer heeft betaald dan haar aandeel, waardoor zij een vordering op hem heeft. Geïntimeerde betwist dit en stelt dat het geleende geld aan beide partijen ten goede is gekomen. Het hof oordeelt dat de bewijslast voor ongerechtvaardigde verrijking bij appellante ligt en dat zij onvoldoende bewijs heeft geleverd.
Het hof benadrukt dat partijen in juni 2008 afspraken maakten over de verdeling van de schuld, waarbij appellante een deel van € 16.886,25 zou dragen. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat deze afspraken nagekomen moeten worden. De vordering van appellante wordt daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af.