Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling
De betrokkene stelt dat de sanctie ten onrechte aan hem is opgelegd. De ambtenaren hebben hem onrechtvaardig behandeld. De betrokkene vermoedt dat hij niet is staande gehouden vanwege de gedraging, maar vanwege de auto waar hij in rijdt. De ambtenaren worden beschermd door de ambtseed die zij hebben afgelegd, terwijl de betrokkene ook een ambtseed heeft afgelegd voor zijn werk bij de gemeente Amsterdam. In het proces-verbaal staan verschillende onjuistheden die de betrokkene uiteenzet. Zo was de betrokkene ten tijde van de gedraging wel degelijk aan het werk. De betrokkene vindt het vreemd dat hij pas ter hoogte van Kikkenstein werd staande gehouden, terwijl de gedraging al ter hoogte van het Annie Romeinplein heeft plaatsgevonden. Zijn vriendin heeft schriftelijk verklaard dat op het moment waarop de betrokkene stopte, er nog mensen het zebrapad aan het oversteken waren. Verder verzoekt de betrokkene om de beelden die gemaakt zijn vanuit het politiebusje of de Bijlmerdreef, omdat dan kan worden aangetoond dat de waarneming van de ambtenaren onjuist is.
3. In het dossier bevindt zich een verklaring van mevrouw [C] van 27 juli 2020, de vriendin van de betrokkene. Hierin verklaart zij dat zij op de pleegdatum een afspraak had bij de huisarts. Haar vriend, de betrokkene, was die dag aan het werk en heeft haar tussendoor opgehaald en afgezet. Toen zij bij het zebrapad aankwamen, wilde er net een groep mensen oversteken. Voor het gemak heeft de betrokkene toen zijn voertuig gestopt en zijn vriendin daar alvast laten uitstappen. Nadat de laatste persoon was overgestoken, kon de betrokkene gewoon weer wegrijden. Het verkeer is dan ook niet onnodig opgehouden.
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van de politieambtenaren. De verklaring van de vriendin van de betrokkene brengt het hof niet tot een ander oordeel, nu aan de ambtsedige verklaringen van de politieambtenaren in dit geval doorslaggevende waarde wordt toegekend. Dat de betrokkene ook een eed heeft afgelegd, is in dit geval niet relevant. Weliswaar was de betrokkene die dag aan het werk, maar maakte hij onder werktijd door zijn vriendin naar de huisarts te brengen immers een privérit. Dat de betrokkene veel verder op staande is gehouden, doet aan de vaststelling van de gedraging niet af.