ECLI:NL:GHARL:2021:1885

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 maart 2021
Publicatiedatum
1 maart 2021
Zaaknummer
21-003419-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in ontnemingsvordering na vrijspraak verdachte

In deze economische strafzaak stond de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Het openbaar ministerie vorderde een bedrag van € 2.823.066,- van de betrokkene, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het hoger beroep werd behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na meerdere zittingen in december 2020 en januari en februari 2021.

De betrokkene was eerder door hetzelfde hof vrijgesproken van het tenlastegelegde strafbare feit. Gezien deze vrijspraak kan het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof vernietigde daarom de eerdere beslissing van de rechtbank en deed opnieuw recht.

De uitspraak werd gedaan door de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering. Dit betekent dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen zolang de strafrechtelijke veroordeling ontbreekt.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003419-17
Uitspraak d.d.: 2 maart 2021
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 13 juni 2017 met parketnummer 18-670020-13 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De betrokkene en de officier van justitie hebben tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 en 9 december 2020, 6, 11, 12 en 13 januari 2021 en 16 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 2.823.066,- en tot veroordeling van betrokkene tot betaling van dat bedrag aan de staat. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van betrokkene, [vertegenwoordiger] , en betrokkenes advocaat, mr. R. Croes-Hoogendoorn, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
De ontvankelijkheid van de vordering
De betrokkene is bij arrest van dit hof van heden (parketnummer 21-003418-17) vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Het openbaar ministerie kan daarom niet in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 2 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.