Art. 3, tweede lid, WahvArt. 9, eerste lid, WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Wijziging sanctie parkeerfout voor in-/uitrit naar lagere feitcode en bedrag
De betrokkene werd een sanctie van €140 opgelegd wegens het parkeren van haar voertuig op een wijze die gevaar of hinder op de weg zou veroorzaken. Zij parkeerde haar voertuig voor een in-/uitrit, wat zij erkende, maar voerde aan dat de in-/uitrit slecht zichtbaar was. Het hof stelde vast dat de gedraging viel onder feitcode R397b (parkeren voor een in-/uitrit) met een lagere sanctie van €90, terwijl de ambtenaar de sanctie oplegde voor de algemenere gedraging met feitcode R395.
De kantonrechter had het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, maar het hof oordeelde dat het beroepschrift tijdig was gepost en vernietigde die beslissing. Het hof oordeelde dat de ambtenaar ten onrechte de hogere sanctie toepaste, omdat bij een specifieke feitcode met een lager sanctiebedrag die code moet worden gebruikt.
Het hof matigde de sanctie niet, omdat de betrokkene als weggebruiker oplettend had moeten zijn en het ontbreken van opzet of bewust hinderen niet tot kwijtschelding leidt. De beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking werden gewijzigd naar feitcode R397b met een sanctie van €90. Tevens werd teveel betaalde zekerheid aan de betrokkene gerestitueerd.
Uitkomst: Het hof wijzigde de sanctie naar feitcode R397b met een bedrag van €90 en verklaarde het beroep ontvankelijk.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.269.024/01
CJIB-nummer
: 221857265
Uitspraak d.d.
: 17 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. De betrokkene voert aan dat het beroep wel tijdig is ingesteld. Het is namelijk op donderdag (het hof begrijpt: 28 februari 2019) voor 17:00 uur - dus voor het einde van de termijn - op de post gedaan en binnen een week na afloop van de termijn ontvangen.
3. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 vanPro de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.
4. De beslissing van de officier van justitie is op 18 januari 2019 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 1 maart 2019. Het beroepschrift is gedateerd 28 februari 2019. Uit een stempel blijkt dat het beroepschrift op 4 maart 2019 door de officier van justitie is ontvangen. Het op de envelop geplaatste poststempel is niet leesbaar, zodat niet kan worden vastgesteld wanneer het beroepschrift ter post is bezorgd.
5. Als een per post verstuurd beroepschrift op de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn wordt bezorgd, wordt aangenomen dat het op tijd is gepost. Als vast komt te staan dat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn is gepost, geldt dat uitgangspunt uiteraard niet.
6. In dit geval is het beroepschrift op de eerste werkdag (maandag 4 maart 2019) na de laatste dag van de beroepstermijn (vrijdag 1 maart 2019) door de officier van justitie ontvangen. Het beroepschrift wordt dus geacht op tijd te zijn gepost. Het beroep is dan ook tijdig ingesteld.
7. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en overgaan tot de beoordeling van de bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt / kan worden veroorzaakt of verkeer wordt / kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 november 2018 om 20:36 uur op de Diekirchlaan in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [00-YY-XX] .
9. De betrokkene erkent dat zij haar voertuig heeft geparkeerd voor een in-/uitrit in het trottoir, maar voert aan dat deze zeer slecht zichtbaar was. Uit de afdrukken van Google Maps Streetview die de betrokkene in administratief beroep heeft overgelegd, blijkt dat de betreffende in-/uitrit is gelegen op een zeer onlogische en slecht verlichte plek en niet direct als zodanig herkenbaar is. Enkele meters verder is een ruimere en meer logische oversteekplek voor mindervaliden aanwezig, waarbij door middel van gele markeringen een wit kruis op het wegdek wel duidelijk is aangegeven dat daar niet mag worden geparkeerd. Mede daardoor valt de betreffende in-/uitrit, waarbij dergelijke markeringen ontbreken, totaal niet op. Uit de foto die de betrokkene in hoger beroep heeft overgelegd blijkt verder dat de gemeente inmiddels een witte omkadering bij de betreffende in-/uitrit heeft aangebracht, zodat deze duidelijker zichtbaar is. Tot slot voert de betrokkene aan dat zij nooit bewust “fout” heeft geparkeerd en mindervaliden heeft willen hinderen.
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag betrokken voertuig hinderlijk geparkeerd staan voor een in-/uitrit van het trottoir op de Diekirchlaan te Eindhoven. Ik zag dat het voertuig hinderlijk stond, omdat mindervaliden nu niet het trottoir op en af kunnen.”
12. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal d.d. 3 februari 2020, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart: “Op 30 november 2018 omstreeks 20:36 uur bevond ik mij op de Diekirchlaan te Eindhoven. Ik zag toen dat daar een voertuig met het kenteken [00-YY-XX] zodanig hinderlijk geparkeerd stond dat het de op-/afrit van het trottoir blokkeerde. Ik zag dat mindervaliden zo niet van de op-/afrit gebruik konden maken om over te steken. De op-/afrit is duidelijk zichtbaar doordat ze een andere kleur tegels hebben gebruikt die meer opvallen. Ik zag dat het voertuig de gehele op-/afrit had geblokkeerd (zie foto’s).”
13. Op de foto’s die als bijlagen bij het proces-verbaal zijn gevoegd is te zien dat een voertuig met kenteken [00-YY-XX] geparkeerd staat voor een in-/uitrit in het trottoir. Deze in-/uitrit is met witte strepen omkaderd.
14. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd voor een in-/uitrit. Dit wordt door de betrokkene ook niet ontkend.
15. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 luidt: “De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of uitrit.” Overtreding van deze bepaling levert de gedraging "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" met feitcode R397b op. De bij deze gedraging behorende sanctie bedraagt € 90,-.
16. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 dat voor zover relevant luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
17. Het hof stelt vast dat in dit geval de gedraging met feitcode R397b is verricht. De ambtenaar heeft een sanctie opgelegd voor de gedraging met feitcode R395. Alhoewel uit het dossier blijkt dat door de gedraging het verkeer op de weg (met name de minderinvaliden) kan worden gehinderd, heeft de ambtenaar naar het oordeel van het hof in dit geval ten onrechte gekozen voor het opleggen van een sanctie voor deze gedraging. Weliswaar heeft de ambtenaar een discretionaire bevoegdheid, maar dit neemt niet weg dat indien een speciale feitcode is opgenomen voor een specifieke gedraging het de ambtenaar niet vrijstaat om een sanctie op te leggen voor de algemenere gedraging, waarop een hoger sanctiebedrag staat. Hierbij acht het hof het mede van belang dat in de gedraging "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" het (mogelijk) veroorzaken van hinder reeds is verdisconteerd.
18. Op zichzelf kan het hof in deze situatie overgaan tot wijzing van de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het sanctiebedrag. De betrokkene is daardoor niet in haar verdedigingsbelangen is geschaad. De wijziging leidt niet tot een hoger sanctiebedrag en de betrokkene weet waartegen zij zich heeft te verdedigen. Of het hof van deze wijzigingsbevoegdheid ook gebruik zal maken, is afhankelijk van de beoordeling van het verweer van de betrokkene.
19. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of het bedrag daarvan te matigen. Het hof is van oordeel dat hiervoor geen aanleiding is. Niet gebleken is dat sprake was van een zodanig onduidelijke situatie dat het de betrokkene niet kan worden verweten dat zij haar voertuig voor een in-/uitrit heeft geparkeerd. Van de betrokkene als weggebruiker mag worden verwacht dat zij oplettend is en dat zij als zij haar voertuig ergens wil parkeren zich ervan vergewist of dat op de door haar gekozen plaats is toegestaan. Dat de betrokkene de betreffende in-/uitrit heeft gemist is dan ook een omstandigheid waarvan de gevolgen voor haar rekening dienen te komen. Voor zover de gemeente de situatie nadien nog duidelijker heeft gemaakt, betekent dit niet dat deze daarvoor onduidelijk was. Bovendien blijkt uit de foto’s die de ambtenaar heeft gemaakt dat de in-/uitrit op het moment van de gedraging ook al met witte strepen was omkaderd. Dat de betrokkene de gedraging niet bewust heeft verricht en niemand heeft willen hinderen maakt evenmin dat de sanctie achterwege moet worden laten of dat het bedrag daarvan moet worden gematigd. Het verrichten van de gedraging rechtvaardigt namelijk op zichzelf al het opleggen van een sanctie. De mogelijkheid tot het opleggen van een sanctie heeft de wetgever niet afhankelijk gesteld van opzet.
20. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking wijzigen zoals hierna te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in respectievelijk "R397b", "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" en "€ 90,-";
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.