Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:1316

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 februari 2021
Publicatiedatum
11 februari 2021
Zaaknummer
200.254.818
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omgangsregeling kind met biologische vader na uithuisplaatsing

In deze zaak staat de omgangsregeling tussen een minderjarig kind en zijn biologische vader centraal. Het kind is op 18 augustus 2020 uit huis geplaatst en verblijft in een crisisgroep, waar hij behandeling krijgt vanwege ontwikkelingsachterstanden en sociaal-emotionele problematiek. De gecertificeerde instelling (GI) informeerde het hof over de situatie van het kind en de mogelijkheden voor omgang met de biologische vader.

De moeder en stiefvader weigeren samen te werken met de GI, waardoor het onderzoeken van thuisplaatsing en fysieke omgang met het kind bemoeilijkt wordt. Het kind toont negatieve herinneringen aan de biologische vader en lijkt beïnvloed door de moeder en stiefvader. Desondanks verwacht de GI dat de uithuisplaatsing weinig tot matige invloed zal hebben op het kind en dat een zorgvuldig voorbereide omgang vanuit een neutrale plek in het belang van het kind is.

Het hof volgt deze beoordeling en vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland. Het bepaalt dat de omgang tussen het kind en de biologische vader zal plaatsvinden volgens het door de GI voorgestelde plan, waarbij de omgang zorgvuldig wordt voorbereid en begeleid. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat er zorgvuldig voorbereide en begeleide omgang zal plaatsvinden tussen het kind en de biologische vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.254.818
(zaaknummer rechtbank Gelderland 292289)
beschikking van 11 februari 2021
inzake
[verzoekster],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.M.A. Jegers te Heerlen,
en
[verweerder],
wonende te [A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de biologische vader,
advocaat: mr. J.A.H. Schoofs te Arnhem, die zich op 12 juni 2020 heeft onttrokken.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de juridische vader],
wonende te [B] ,
verder te noemen: de juridische vader,
advocaat: mr. B.H.S. Brinkman te Heerlen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te Heerlen,
verder te noemen: de GI.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 17 november 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Naar aanleiding van voormelde tussenbeschikking is bij het hof de brief van de GI van 16 december 2020 met een bijlage ingekomen. De overige belanghebbenden hebben geen gebruik gemaakt van de aan hen geboden gelegenheid om op laatstgenoemde brief te reageren.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 17 november 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de GI verzocht om het hof te informeren over hoe het op dit moment met [de mindrjarige] gaat, of [de mindrjarige] behandeling krijgt in verband met zijn problematiek, of hij uit huis is geplaatst en, zo ja, welke invloed die uithuisplaatsing voor hem zal hebben op omgang met de biologische vader.
2.3
In de brief van de GI van 16 december 2020 is te lezen dat [de mindrjarige] op 18 augustus 2020 uit huis is geplaatst in crisisgroep [C] , in afwachting van een plek in een gezinshuis. Hij ondergaat voorts behandeling bij [D] . Bij de aanvang van de uithuisplaatsing bleek bij [de mindrjarige] sprake te zijn van een achterstand in de algemene ontwikkeling, op het gebied van dagelijkse handelingen, zoals brood smeren, tanden poetsen, douchen en fietsen, maar ook op sociaal-emotioneel gebied. [de mindrjarige] krijgt inmiddels de nodige ondersteuning en er is een duidelijke groei te zien in zijn ontwikkeling. Het gaat goed met [de mindrjarige] in de behandelgroep. Hij is altijd vriendelijk en vrolijk en hij is voorts intrinsiek gemotiveerd om nieuwe dingen te leren.
De moeder en de stiefvader weigeren alle samenwerking met de GI, als gevolg waarvan het de GI niet is gelukt om de mogelijkheid van thuisplaatsing van [de mindrjarige] te onderzoeken en om tot fysieke omgang van de moeder en de stiefvader met [de mindrjarige] te komen. Er vinden belcontacten plaats. De moeder en de stiefvader lijken [de mindrjarige] te belasten met volwassenenproblematiek, zoals het hoger beroep van de uithuisplaatsing en de mogelijke omgang met de biologische vader. De behandelaar van [C] heeft geconstateerd dat [de mindrjarige] erg volgend is, wat niet passend is voor zijn leeftijd. [de mindrjarige] gaat niet in conflict met anderen en er is daarnaast weinig identiteit zichtbaar. In de eerste gesprekken met de gezinsvoogd heeft [de mindrjarige] stellige uitspraken geuit over de biologische vader en heeft hij negatieve herinneringen aan de biologische vader benoemd. In het meest recente gesprek heeft [de mindrjarige] bij herhaling gezegd dat hij geen eigen herinneringen aan de biologische vader heeft. Er zijn zorgen over uitspraken van [de mindrjarige] , uitspraken die niet van hem lijken te zijn, maar die mogelijk van de moeder en/of de stiefvader afkomstig zijn.
De GI verwacht dat de uithuisplaatsing weinig tot matig invloed op [de mindrjarige] zal hebben. De omgang zal zowel voor [de mindrjarige] als voor de biologische vader goed worden voorbereid. De GI ziet als voordeel dat er nu naar de omgang kan worden toegewerkt vanuit een neutrale plek, een plek waar [de mindrjarige] kan terugvallen op de aanwezige professionals.
Gelet op al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de door de GI voorgestelde, zorgvuldig voorbereide en begeleide omgang met de biologische vader in het belang van [de mindrjarige] is. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem,
van 19 november 2018 en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat er zorgvuldig voorbereide en begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [de mindrjarige] en de biologische vader volgens het door de GI in de brief van 29 mei 2020 genoemde plan;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, A. Smeeïng-van Hees en G. Dam, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 11 februari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.