Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:11352

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
200.297.622/01 en 200.297.623/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:267 lid 2 BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 810a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder over minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De moeder en vader zijn ouders van een minderjarige dochter die sinds kort na haar geboorte uit huis is geplaatst vanwege ernstige bedreigingen voor haar ontwikkeling. De moeder heeft daarnaast twee oudere kinderen in pleegzorg. Ondanks meerdere pogingen tot ouder-kind-opname en begeleiding, is de moeder niet in staat gebleken de zorg en opvoeding op een aanvaardbare wijze te dragen.

De rechtbank heeft het gezag van de moeder ambtshalve beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, maar heeft het hoger beroep in één van de zaken ingetrokken. Het hof heeft het beroep in die zaak niet-ontvankelijk verklaard.

In de hoofdzaak heeft het hof geoordeeld dat de beëindiging van het gezag niet prematuur is. De belangen van het kind, waaronder continuïteit en hechting in de huidige netwerkpleegplaats, wegen zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag te behouden. De moeder heeft geen onderbouwde stukken aangeleverd die haar verbeterde situatie aantonen, en eerdere kansen zijn niet benut.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het meer of anders verzochte af. De beslissing is genomen met het oog op het welzijn en de ontwikkeling van het kind, waarbij het belang van stabiliteit en veiligheid voorop staat.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot beëindiging van het gezag van de moeder over haar minderjarige dochter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.297.622/01 en 200.297.623/01
(zaaknummers rechtbank Overijssel 259259 en 260407)
beschikking van 7 december 2021
inzake
[verzoekster](de moeder),
wonende op een bij het hof bekend geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen,
Belanghebbenden zijn:
(1)
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle,
(2) de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd te Amsterdam,
(3)
[de pleegvader]en
[de pleegmoeder](de pleegouders),
wonende op een bij het hof bekend geheim adres.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 21 januari 2021 en 19 april 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 19 juli 2021;
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- een brief namens de moeder van 23 september 2021 met bijlage(n);
- een e-mail namens pleegzorg van 17 augustus 2021 met bijlage(n);
- een brief namens de moeder van 26 oktober 2021 met bijlage(n);
- een e-mail namens de GI van 1 november 2021.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 november 2021 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is [naam1] verschenen, namens de GI is [naam2] verschenen.
Tevens was aanwezig als informant [naam3] , pleegzorgmedewerker van [naam4] .
2.3
Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat de moeder de gelegenheid krijgt om nadere stukken in te dienen en dat de raad en de GI daar op mogen reageren. Uiteindelijk is namens de moeder op 29 november 2021 bericht dat geen nadere stukken worden ingediend. Gelet op dit bericht zal het hof overgaan tot het geven van een beschikking.

3.De feiten

3.1
De moeder en [de vader] (de vader) zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2019.
3.2
De moeder heeft nog twee oudere zoons, [de minderjarige2] (2013) en [de minderjarige3] (2015), van een andere partner. [de minderjarige2] woont in een gezinshuis en [de minderjarige3] in hetzelfde (netwerk) pleeggezin als [de minderjarige1] . De voogdij over hen wordt uitgevoerd door de GI.
3.3
[de minderjarige1] is, nog voordat zij is geboren, op 20 februari 2019 onder toezicht gesteld van de GI. Vanaf 10 april 2019 is zij uit huis geplaatst met een machtiging van de kinderrechter. Beide maatregelen zijn daarna steeds verlengd.
3.4
In de periode van 21 maart 2019 tot en met 14 mei 2019 zijn er vier intakes geweest bij de Geestelijke Gezondheidszorg Drenthe (GGZ Drenthe), het Expertisecentrum voor behandeling en beoordeling van ouderschap “ [naam5] ” in [plaats1] . Vanwege relatieperikelen tussen de ouders, en verslavingsproblematiek van de vader, leidden de eerste drie intakes niet tot een vervolg. Tijdens de vierde intake bleek de relatie tussen de ouders definitief voorbij, zodat ingezet kon worden op een opname van alleen de moeder met [de minderjarige1] . Hierop zijn in juni 2019 de samenwerkingsweken gestart, maar deze zijn voortijdig beëindigd vanwege een positieve urinecontrole van de moeder op cannabis.
3.5
[de minderjarige1] verblijft na een periode in een crisispleeggezin sinds 27 augustus 2019 met [de minderjarige3] bij de pleegouders, de grootvader (moederszijde) en zijn partner.
3.6
De raad heeft op verzoek van de GI onderzoek ingesteld naar de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en geconcludeerd dat een beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De GI heeft de raad vervolgens verzocht het oordeel van de rechtbank hierover te vragen. Aan dat verzoek heeft de raad gevolg gegeven. Bij de nu bestreden beschikking heeft de rechtbank (ambtshalve) het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. Deze beschikking is (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.297.622/01(
zaaknummer rechtbank Overijssel 259259)
4.1
De moeder heeft het hof tijdens de zitting laten weten dat zij het hoger beroep in deze zaak wenst in te trekken. Haar grieven in deze zaak zullen daarom onbesproken blijven.
In de zaak met zaaknummer 200.297.623/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 260407)
4.2
Bij de bestreden beschikking van 19 april 2021 heeft de rechtbank (ambtshalve) het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd, met afwijzing van de verzoeken van de moeder om primair het gezag van de moeder niet te beëindigen dan wel de beslissing aan te houden en subsidiair een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.3
De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende (naar het hof begrijpt:) het gezag van de moeder over [de minderjarige1] niet te beëindigen.
4.4
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.5
De raad stelt zich op het standpunt dat beëindiging van het gezag van de moeder nog niet aan de orde is.
4.6
Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

De geschillenregeling (zaaknummer 200.297.622/01)5.1 De moeder heeft het hoger beroep in deze zaak ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de gronden van het hoger beroep niet worden gehandhaafd. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek in hoger beroep.
De gezagsbeëindiging (zaaknummer 200.297.623/01)
5.2
Op grond van artikel 1:267 lid 2 in Pro combinatie met artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder ambtshalve beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.3
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.4
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat [de minderjarige1] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige1] aanvaardbaar te achten termijn. De volgende gronden liggen aan deze beoordeling ten grondslag.
5.5
In het verleden heeft er veel problematiek gespeeld bij de moeder en in het gezinssysteem. Daarbij ging het om huiselijk geweld in relaties, drugsgebruik, wisselende huisvesting en viel het de moeder zwaar om een samenwerkingsrelatie aan te gaan met de hulpverleners. Bovendien speelt mee dat dat de moeder een benedengemiddelde intelligentie, een vastgestelde posttraumatische stressstoornis en kenmerken van een borderline persoonlijkheidsstoornis heeft. Deze alomvattende problematiek zorgde voor chronische onveiligheid voor de kinderen in het gezin. Eerdere kinderen van de moeder zijn daarom uit huis geplaatst en uiteindelijk is twee maanden na de geboorte van [de minderjarige1] met haar hetzelfde gebeurd. Hierbij is het niet zo dat de moeder geen kans heeft gekregen om zelf voor [de minderjarige1] te zorgen. Er is tot viermaal toe geprobeerd om een ouder-kind-opname in [plaats1] van de grond te krijgen om te kunnen beoordelen of de moeder de zorg en opvoeding kan dragen voor [de minderjarige1] . Dit is niet gelukt door toedoen van de moeder en de keuzes die zij destijds gemaakt heeft. Rond augustus 2019 heeft de moeder te kennen gegeven dat zij zich had neergelegd bij de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] . Zij zag in dat [de minderjarige1] op dat moment niet bij haar kon opgroeien en zij sprak haar voorkeur uit voor de huidige netwerkplaatsing. Daarna is ingezet op gestructureerd contact tussen de moeder en [de minderjarige1] . Dit is mede door toedoen van de moeder niet goed van de grond gekomen. In de periode van (eind) 2019 tot (begin) 2020 is er ongeveer een halfjaar nauwelijks contact geweest tussen de moeder en [de minderjarige1] . Daarna ging het een langere periode beter, maar rond april/mei 2021 is de moeder opnieuw een aantal weken uit het contact geweest met de hulpverleners en was er ook geen contact tussen haar en [de minderjarige1] .
5.6
De moeder heeft gesteld dat zij sindsdien een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij, voor zover nodig met hulpverlening, in staat is [de minderjarige1] een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De moeder heeft geen stukken aangeleverd die haar standpunt onderbouwen. Dat had naar het oordeel van het hof wel op haar weg gelegen gelet op de ernstige problematiek die in het verleden over haar en haar leefsituatie zijn gebleken.
Verder blijkt uit een brief van GGZ Drenthe van 17 februari 2021 dat een ouderschapsbeoordeling niet meer tot de mogelijkheden behoort. Naar het oordeel van het hof is een dergelijke opname de enige manier om te kunnen beoordelen of de moeder de zorg en opvoeding van [de minderjarige1] kan dragen. Maar ook los daarvan heeft de moeder in het verleden alle kansen gehad om te laten zien dat zij voor [de minderjarige1] kan zorgen. Er zijn vier momenten geweest voor een ouder-kind-opname in [plaats1] die door toedoen van de moeder niet hebben geleid tot een daadwerkelijke opname en onderzoek. De raad vindt beëindiging van het gezag van de moeder te prematuur, gelet op de huidige positieve insteek van de moeder. Aan dit standpunt gaat het hof voorbij. [de minderjarige1] is met een leeftijd van nog geen twee maanden oud uit huis geplaatst en is inmiddels geconfronteerd met een derde opvoedingsomgeving. De huidige plaatsing betreft een netwerkplaatsing, op de plek waar haar broertje ook woont. Hier woont zij inmiddels meer dan twee jaar, is zij gehecht en zij ontwikkelt zich er goed. [de minderjarige1] is nu bijna drie jaar oud en heeft dus bijna haar hele leven niet bij de moeder gewoond terwijl het de moeder ook niet gelukt is om in die drie jaar op een stabiele en gestructureerde wijze contact met [de minderjarige1] te onderhouden. Verder stelt de moeder de huidige opvoedingsomgeving ter discussie en zorgt zij daarmee voor onrust en onduidelijkheid bij [de minderjarige1] (en [de minderjarige3] ). Onder die omstandigheden is beëindiging van het gezag naar het oordeel van het hof noodzakelijk en niet prematuur. Het belang van [de minderjarige1] om haar verblijf en de hechting in het pleeggezin ongestoord voort te zetten weegt zwaarder dan het belang van de moeder om de kans te krijgen om te laten zien dat zij weer voor [de minderjarige1] kan zorgen, nog daargelaten dat er geen mogelijkheden zijn voor een ouder-kind-opname. Hierdoor is het antwoord op de vraag of de moeder nu wel in staat moet worden geacht om voor [de minderjarige1] te zorgen niet langer relevant.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.297.622/01:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
In de zaak met zaaknummer 200.297.623/01:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 april 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. M.J. Muller als griffier en is op 7 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.