ECLI:NL:GHARL:2021:11002

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
30 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.275.358/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking parkeren in parkeerverbodszone wegens onvoldoende staandehouding

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor parkeren in strijd met een parkeerverbod op 15 mei 2019 op het Amstelplein in Amsterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. De betrokkene ging in hoger beroep en stelde dat er wel een reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden, zodat de sanctie aan de bestuurder had moeten worden opgelegd.

Het hof constateerde dat de ambtenaar het voertuig minutenlang had waargenomen terwijl het stil stond, zonder dat klanten in- of uitstapten. De ambtenaar verklaarde dat de bestuurder wegreed voordat hij tot staandehouding kon overgaan, maar gaf geen nadere toelichting waarom hij niet eerder kon ingrijpen. Het hof oordeelde dat de enkele mededeling dat het voertuig wegreed onvoldoende is om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

Op grond van artikel 5 Wahv Pro moet de ambtenaar de bestuurder staande houden om een sanctie op te leggen, tenzij er geen reële mogelijkheid was om de identiteit vast te stellen. Het hof vond dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd en vernietigde de beschikking. Tevens werd het door de betrokkene gestelde bedrag gerestitueerd en de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende reële mogelijkheid tot staandehouding en het gestelde bedrag wordt gerestitueerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.275.358/01
CJIB-nummer
: 225897278
Uitspraak d.d.
: 30 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 mei 2019 om 11:49 uur op het Amstelplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich in hoger beroep onder meer op het standpunt dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, zodat de sanctie aan de bestuurder had moeten worden opgelegd. Uit het zaakoverzicht volgt dat het om een statische controle ging waarbij een waarnemingstijd van vier minuten in acht is genomen. Het is onduidelijk om welke reden de ambtenaar onder die omstandigheden en in die tijd niet tot een staandehouding heeft kunnen overgaan, te meer nu het Amstelplein een vierkant plein met een eenrichtingsweg eromheen is zodat de ambtenaar eenvoudigweg bij de uitgang van het plein had kunnen gaan staan en een stopteken had kunnen geven.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
4. De in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar luidt - voor zover relevant - als volgt:
“Ik zag in mijn vier minuten waarnemingstijd het voornoemd voertuig stil staan in een parkeerverbodszone aangegeven door middel van bord E1 zone van bijlage 1 RVV. Ik heb geen klanten in of uit zien stappen. Ambtshalve is mij bekend dat er op deze locatie taxi’s dit gebruiken voor de opstapmarkt waardoor er een illegale standplaats wordt gecreëerd. Er zijn klachten van taxioverlast binnen gekomen bij de gemeente Amsterdam. Voordat ik de betrokkene kon staande houden, reed deze weg.”
5. De ambtenaar verklaart de betrokkene (het hof begrijpt: de bestuurder van het voertuig) niet te hebben kunnen staande houden, omdat hij wegreed. Uit voormelde verklaring van de ambtenaar volgt echter ook dat hij vier minuten lang het stilstaande voertuig heeft waargenomen, waarbij is waargenomen dat geen klanten zijn in- of uitgestapt. Hieruit volgt dat de ambtenaar (tevens) heeft kunnen waarnemen dat in het betreffende voertuig een bestuurder zat. Over de reden waarom de ambtenaar niet eerder tot staandehouding van de bestuurder heeft kunnen overgaan, in welke positie de ambtenaar zich bevond ten opzichte van het voertuig van de betrokkene en of hij – om welke reden dan ook – niet in staat was om een staandehouding uit te voeren toen de bestuurder wegreed, wordt niet verklaard. Hoewel de betrokkene van meet af aan naar voren heeft gebracht het vreemd te vinden dat de ambtenaar niet even naar hem toe is gestapt terwijl hij op zijn klant aan het wachten was, is hieromtrent door zowel de officier van justitie, de kantonrechter als de advocaat-generaal geen nader onderzoek ingesteld. Het hof acht het niet geraden om thans alsnog nadere informatie op te (doen) vragen bij de ambtenaar. Dit brengt mee dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv door de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder op te leggen. Gelet hierop kan de inleidende beschikking niet in stand blijven en dient het tot zekerheid gestelde bedrag aan de betrokkene te worden gerestitueerd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 374,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 374,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.