ECLI:NL:GHARL:2021:10787

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 november 2021
Publicatiedatum
22 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.276.214
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 11 WahvArtikel 2 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijvenArtikel 3 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging Mulderbeschikking wegens onjuiste afdoening meervoudige verkeersovertredingen

De betrokkene kreeg een sanctie van €230,- opgelegd voor het negeren van een rood verkeerslicht op 14 september 2018 in Heemstede. Tegelijkertijd werd een strafbeschikking uitgevaardigd voor een overtreding van artikel 5 WVW Pro 1994 op hetzelfde moment en dezelfde locatie. Volgens de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven en overtredingen is afdoening via één traject het uitgangspunt bij meervoudige overtredingen.

De gemachtigde voerde aan dat de dubbele afdoening niet toegestaan was, omdat de voorwaarden voor zowel strafrechtelijke als administratiefrechtelijke afdoening niet waren vervuld. Het hof constateerde dat bij de oplegging van de strafbeschikking geen melding was gemaakt van de gelijktijdige Mulderbeschikking, wat volgens de Aanwijzing wel vereist is.

De ambtenaar verklaarde dat de gedragingen van de betrokkene en een andere bestuurder gevaarlijk en hinderlijk waren, met een bijna-aanrijding van een fietser. Dit onderstreept de samenhang tussen de overtredingen. Omdat de afdoening langs twee trajecten niet correct was, vernietigde het hof de Mulderbeschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Mulderbeschikking wordt vernietigd wegens onjuiste dubbele afdoening en de betrokkene krijgt proceskosten vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.276.214/01
CJIB-nummer
: 219951409
Uitspraak d.d.
: 22 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 30 januari 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Breda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van €230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 september 2018 om 23:19 uur op de Zandvoortselaan in Heemstede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat is gehandeld in strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzing). Aan de betrokkene is naast de onderhavige sanctie bij strafbeschikking tevens een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), gepleegd op dezelfde datum en hetzelfde tijdstip. Artikel 2 van Pro de Aanwijzing bepaalt dat als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan afdoening langs één traject het uitgangspunt is. Aan de voorwaarden om wel zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg te bewandelen is in dit geval niet voldaan. Verder is in artikel 3 van Pro de Aanwijzing bepaald dat als een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994 het niet is toegestaan om voor de feiten die in een directe relatie staan tot het gevaarlijke c.q. het hinderlijke gedrag ook administratieve sancties op te leggen. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt onmiskenbaar dat er in dit geval wel degelijk een relatie is tussen de onderhavige gedraging en het gevaarlijke c.q. het hinderlijke gedrag. Aldus is de onderhavige sanctie ten onrechte aan de betrokkene opgelegd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de onderhavige sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 20,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.”
4. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat tegen de betrokkene ook een strafbeschikking d.d. 8 november 2018 is uitgevaardigd voor het zich zodanig op een weg gedragen dat gevaar/hinder ontstaat/kan ontstaan, gepleegd op dezelfde datum, tijd en locatie en met hetzelfde voertuig als de onderhavige gedraging.
5. Artikel 2 van Pro de Aanwijzing luidt als volgt:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
6. Het hof dient te beoordelen of de geconstateerde overtredingen in dit geval via twee trajecten hadden mogen worden afgedaan.
7. In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2019 verklaart de ambtenaar voor zover relevant:
“Op 14 september 2018 omstreeks 23:19 uur stond ik op de Zandvoortselaan op de kruising met de Leidsevaartweg te Heemstede en de rijrichting was Zandvoort. Ik stond met mijn burgervoertuig op de middelste baan die bestemd was voor het verkeer voor rechtdoor en ik zag dat alle verkeerslichten rood licht uitstraalden. Ik zag dat er een witte Nissan links van mij op de rijbaan voor rechtdoor kwam te staan en vlak daarna zag ik een BMW rechts van mij komen staan. Ik zag dat de BMW op de rijbaan met de verplichte rijrichting rechtsaf stond. Ik zag dat er in de BMW een blonde man zat en ik zag dat hij handgebaren maakte naar de bestuurder van de Nissan. Hieruit maakte ik op dat beide bestuurders elkaar kenden. Dit werd later op het bureau van politie ook bevestigd. Terwijl de verkeerlichten nog rood licht uitstraalden zag ik dat de bestuurder van de BMW een handgebaar maakte naar de bestuurder van de Nissan en vervolgens met hoge snelheid optrok. Ik zag dat de Nissan ook direct met hoge snelheid wegreed in de richting van Zandvoort en ik zag dat de verkeerslichten nog rood licht uitstraalden. Voor deze gedraging heb ik beide bestuurders ook een bekeuring gegeven. Ik zag beide voertuigen hun snelheid verhogen en met hoge snelheid onder het station Heemstede-Aerdenhout door rijden. Hier gaan de twee rijbanen over in één rijbaan en moet er worden ingevoegd. Ik zag dat de BMW na het invoegen als eerste voertuig voorop reed. Vlak na de wegversmalling ligt een voetgangersoversteekplaats en vlak daarvoor is een oversteekplaats voor fietsers. Ik zag dat er een meisje op de fiets van links vlak voor de BMW de weg overstak. De BMW had met deze hoge snelheid nooit de fietser kunnen ontwijken of op tijd tot stilstand kunnen komen als het meisje iets later was overgestoken of langzamer had gefietst. Dan was de schade en het letsel van het meisje niet te overzien geweest. Aan de rechterzijde van de weg zag ik ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats een dame met een zwarte bakfiets aan haar hand. Ik zag dat ze eigenlijk voornemens was om over te steken, maar daar van beide voertuigen geen ruimte voor kreeg. Ik zag dat beide voertuigen over de Zandvoortselaan hun weg vervolgden in de richting van Zandvoort. Ter hoogte van de wildbrug zag ik dat de bestuurder van de Nissan langzamer ging rijden en zodoende de afstand tot zijn voorganger vergrootte. Ik zag en hoorde dat de Nissan onder de brug flink gas gaf en zijn snelheid verhoogde alsof hij optrok. Kennelijk om het geluid van het voertuig onder de brug beter te kunnen horen. Het waren twee sportief uitziende en snelle voertuigen. Aan het einde van de Zandvoortselaan werden de bestuurders van beide voertuigen staande gehouden. Ik heb beide bestuurders op hun asociale rijgedrag gewezen en gewezen op het feit dat ze bijna een meisje op haar fiets hadden aangereden en dat ik om hun gedragingen in het verkeer in combinatie met de bijna aanrijding genoeg bevindingen had om een verbaal voor overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994 uit te schrijven.”
8. Het gaat hier om twee op één moment begane overtredingen. Nog daargelaten de vraag of in deze situatie sprake is van een uitzonderlijk geval dat afdoening langs twee trajecten rechtvaardigt, had afdoening langs twee trajecten op grond van de Aanwijzing slechts mogen plaatsvinden als daarvan melding was gemaakt in het proces-verbaal dat heeft geleid tot de strafbeschikking en de aankondiging van beschikking. Niet gebleken is dat dit in het onderhavige geval is gebeurd. Bij de oplegging van de strafbeschikking heeft men daardoor geen rekening kunnen houden met de afdoening via de administratiefrechtelijke weg. Dat de ambtenaar in het op verzoek van de kantonrechter opgemaakte proces-verbaal van bevindingen alsnog melding heeft gemaakt van de afdoening langs beide trajecten, maakt dit niet anders, nu dit proces-verbaal is opgemaakt nadat de strafbeschikking reeds was uitgevaardigd. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna te melden. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde geen bespreking meer behoeven.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen op de zitting van de kantonrechter van 27 augustus 2019 en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.122,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.122,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.