Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in hoger beroep,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over een minderjarige centraal. De minderjarige is sinds 2017 geplaatst in een pleeggezin en verblijft daar sinds juni 2018. De rechtbank had het gezag van de ouders beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemd, wat de ouders in hoger beroep aanvochten.
Het hof overweegt dat het gezag kan worden beëindigd indien het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kunnen dragen. Uit het dossier blijkt dat terugplaatsing bij de ouders niet meer aan de orde is en dat het kind gehecht is aan het pleeggezin, dat beter in staat is aan zijn bijzondere behoeften te voldoen.
Hoewel de ouders instemmen met het verblijf bij de pleegouders en meewerken, weegt het belang van het kind bij continuïteit en stabiliteit zwaarder dan het belang van de ouders bij het behouden van het gezag. Het hof acht de beëindiging van het gezag noodzakelijk en proportioneel, ook in het licht van het IVRK en het EVRM. Het verzoek van de ouders tot aanhouding voor nader onderzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete gronden.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd over de minderjarige.